is toegevoegd aan uw favorieten.

De wederontdekking en wederopbouw der oudheid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

do eerste plaats moest zijn een vir bonus, „een rechtschapen man", dicendi peritus, „die het woord kon voeren", zoo eischen wij van den classieken philoloog, dat hij allereerst een veelzijdig ontwikkeld man zij, die de oude talen beheerscht en vertrouwd is met de oude geschiedenis en de oude kunst.

Ik heb gemeend er nadruk op te moeten leggen, mijne hoorders, dat de gewichtigste factor bij den wederopbouw der antieke wereld de analogie met het moderne leven is. Gaarne zeg ik het Cobet na: „De menschen zijn altijd en overal menschen, en noch het klimaat, noch de staatsvorm, wetten, instellingen, zeden of godsdienst kunnen ooit zulk eene afscheiding te weeg brengen, dat de eene mensch den anderen niet door en door zou leeren kennen"'). Maar daar zijn toch (ook onder de hier opgenoemde) enkele en dat wel zeer gewichtige elementen der helleensche beschaving, waarvoor onze moderne europeesche cultuur geen equivalenten of analogieën biedt: eigenaardigheden, welke juist om die reden ten zeerste de aandacht van den classieken philoloog verdienen. Een goede commentaar op een oud schrijver moet vooral (misschien zelfs uitsluitend) datgene geven, wat, terwijl het voor de tijdgenooten van zelf sprak, voor ons, moderne lezers, tot recht begrip van het geschrevene er bij gezegd behoort te worden. Geheel op dezelfde wijze dient bij de opleiding van classieke philologen steeds helder in het licht te worden gesteld wat speciaal antiek en voor ons

!) Cobet, Oratio de arte interpretandi, p. 28: Homines scmper et ubiquc stunt homines: non cocli tempcries, non reipublieae forma, leges, instituta, moren, religiones tantum umquam effieient diserimen, ut homo hominem penitus cognoseerc non possit. (Aangehaald door Polak, Gids 1889, p. 425 sq.).