Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reiding der geneesmiddelen gevonden werden, die bij de toenmalige groote schaarschte aan officieele geneeskundigen, werkelijk ten platten lande belangrijke diensten konden bewijzen.

Men ziet hoe in ieder geval toen nog de kennis der therapeutische waarde van de geneesmiddelen (welke thans door de pharmacologie wordt beoefend) en die der samenstelling en toebereiding de (pharmacognosie en artsenijmengkunde) in eén hand bleef; terwijl de genoemde vakken in den tegenwoordigen tijd zelfs in verschillende Faculteiten aan de Universiteit zijn ondergebracht.

Deze marsluiden hebben zich in de middeleeuwen ook wel reeds soms in de meest welvarende steden van ons land neergezet als artsenijkoopman en zij behoorden als zoodanig tot de neringdoenden — geenszins tot den geleerden — stand. Men vindt hen later opgenomen in de kramersgilden.

Enkele steden schijnen zulk een „apteeker" (een naam die oorspronkelijk zijne functie als kruiden-aftrekker aanduidt) wel voor gemeenschappelijke rekening op na gehouden te hebben. Zoo vindt men althans aangeteekend *) dat de stad Zwolle reeds in 1341 een zekere „meester Lambert" aanstelde als „der stadt apteeker" op een jaarlijks inkomen van vijftien heeren-ponden.

De toenmalige artsenijmengers stonden in geen geval in hoog aanzien, zooals wel daaruit blijken kan dat zij zich hier en daar ook met het leveren van specerijen ophielden en als zoodanig niet ten onrechte den naam van „crudener" (kruidenier) ontvingen, terwijl zij soms

W. Stoeder, Geschiedenis der Pharmacie in Nederland, blz. 15.

Sluiten