Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Republiek, dat door den Haagschen geneesheer Heilbron1) een ,,Adres en Vertoog," aan de Nationale vergadering werd ingediend.

Uit dit belangrijk adres van Heilbron haal ik het volgende aan: ,,De Artsenijmengkunde of wel de Artsenijkundige scheikunde is waarlijk, zoo voor de geneeskunst als voor het lijdende menschdom, van geen minder belang als de reeds afgehandelde vakken. . . . [De] minder luisterrijke staat [waarin zij is, kan] toegeschreven worden . . . aan de slecht ingerichte leerwijze en aan de mindere gelegenheid om onderwezen te worden ... De leerling dezer konst wordt . . . reeds in zijn jonge jaren in een winkel gesteld, en begint, om zoo te zeggen, terstond met het laatste gedeelte zijner konst, namelijk met het uitoefenende gedeelte. Zoo hij nu nog daarenboven het ongeluk heeft, en welk, helaas! dikwerf stand grijpt, om zoodanigen meester te treffen, die of uit onkunde, of uit geringe werklust, nimmer het voorname werk zelf doet, en de scheikundige geneesmiddelen van de zoogenaamde chymisten koopt, zoo blijft hij natuurlijk van het kern zijner konst verstoken, drukt vervolgens de voetstappen van zijn meester, en wordt ook een halfgeleerde."

En hij vervolgt: „De middelen ter verbetering nogthans schijnen hier uit den aart der gebreken zelve voort te vloeijen en zouden wel bijzonder moeten bestaan, in een meer geregeld en grondig onderwijs der talen en wetenschappen, die zoowel middelijk als onmiddelijk op deze konst betrekking hebben."

Dat Heilbron er nog evenwel niet aan dacht om de opleiding der apothekers aan de Universiteit te brengen blijkt uit de volgende passage :

J) W. Stoeder. Geschiedenis der Pharmacie in Nederland, bl 316.

2

Sluiten