Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke Hooger Onderwijs om. Als gevolg daarvan werden vanaf 1825, allereerst in Haarlem en een weinig later in Hoorn, Alkmaar, Amsterdam, Rotterdam en Middelburg de klinischen scholen opgericht, welke gesubsidieerd door de Provincie, gesteld werden onder toezicht der Provinciale Commissiën van geneeskundig onderzoek en toevoorzicht, die ook met het afnemen der examens waren belast. Behalve de heelkunde werd aan deze scholen ook de artsenijkunde voor aanstaande pharmaceuten onderwezen, meerendeels door de bekwaamste der toenmalige apothekers, maar ook wel door medici, die zich speciaal op de botanie of op de chemie hadden toegelegd. Ik behoef slechts te herinneren aan de beide voortreffelijke mannen C. A. J. A. Oudemans en G. J. Mulder, die van huis uit geneeskundigen, in het begin der vorige eeuw, aanvankelijk aan de klinische school te Rotterdam verbonden, later aan de Universiteit te Amsterdam resp. te Utrecht, hunne krachten hebben gewijd aan de opleiding der pharmaceuten en van wie de eerste de kruidkunde, het oudste hulpvak van de pharmaceutische studie, in nieuwe banen heeft geleid, terwijl Mulder vooral de scheikunde, die toen in een tijdperk van grooten bloei was, voor de pharmaceutische studie in ons land meer op den voorgrond bracht. Het optreden van zijn krachtige persoonlijkheid kwam te juister tijd, want de beoefening der scheikunde was, in het begin der vorige eeuw, in vergelijking met de omringende landen van Europa, in ons vaderland zeer ten achteren. Leerstoelen in de scheikunde waren er wel allengs aan onze Athenaea en Akademies ingesteld en o.a. in Amsterdam vanaf 1810 door den Hoogleeraar Carl Reinwardt en in Utrecht vanaf 1815 door den Hoogleeraar N. C. de Fremery bezet. Maar de werkzaamheden van deze

Sluiten