Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

docenten bepaalde zich tot het houden van colleges en het in het licht geven van scheikundige werken, die meerendeels uit het Buitenlandsch vertaald werden en van welke de „Grondbeginselen der Scheikunde'' naar „Lavoisier's Traité elementaire de chimie" door de Fremery en den Utrechtschen apotheker van Werkhoven, benevens „Het leerboek der Scheikunde van Berzelius" vertaald door G. J. Mulder en eenige zijner assistenten, wel de meest bekende zijn. De beoefening der scheikunde droeg toenmaals bij ons ten lande een nog zoo uitsluitend theoretisch karakter, dat Dr. E. H. von Baumhauer in 1847 gevraagd om den leerstoel in de scheikunde aan het Athenaeum te Amsterdam te bezetten, het aannemen van dit Professoraat afhankelijk moest stellen van de oprichting van een scheikundig laboratorium. Het meest benijdenswaardig ingericht was nog G. J. Mulder, die althans vanaf 1830 aan de klinische school te Rotterdam een tamelijk goed scheikundig laboratorium tot zijn dienst had; maar hoe weinig ook de Staatszorg toenmaals in de hulpmiddelen voor het practisch onderwijs te gemoet kwam, kan hieruit blijken dat Mulder, na zijne benoeming in 1840 tot hoogleeraar in de chemie en Pharmacie in Utrecht en bij zijn komst aldaar allereerst zorgende voor een laboratorium, waarin alle zijne discipelen de chemie practisch zouden kunnen beoefenen, den toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken Schimmelpenninck van der Oye moest bedreigen: ,,met een lijst te zullen laten rondgaan door het land, ongeveer zooals men doet voor een afgebrande boerderij, maar nu voor chemische behoefte te Utrecht" x), alvo-

*) Levensschets van G. J. Mulder, le deel. b. 1. 171.

Sluiten