Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rens hij door finantieele steun in staat gesteld werd om het gebouw van Leeuwenberg's stichting aan de Maliebrug in te richten tot een werkplaats, waarvan Mulder ten slotte zelf getuigde: „Schooner lokalen konden er toen nergens voor een laboratorium zijn. Er ontbreekt niets aan". Hoe gelukkig mogen wij ons in den tegenwoordigen tijd achten nu een zoo veel zachtere drang bij de Hooge Regeering voldoende is om zulk een gelukkig resultaat te bereiken, want bij de zooveel snellere transformatie der natuurwetenschappen in de laatste halve eeuw, welke aan hare beoefening zoo veel hoogere eischen van materieele hulpmiddelen stelt, heeft Nederland, mede aan deze ruimte van blik der Magistraten, het te danken dat het mannen heeft opgeleverd die, ook zelfs in het buitenland, in eere zijn als voorgangers op het gebied van hunne wetenschap en dat Nederland zich niet meer, zooals een eeuw geleden, ten opzichte van haar natuurwetenschappelijk onderwijs in de schaduw van hare naburen behoeft te stellen.

De „Wet op het Hooger Onderwijs" was in 1815 ingevoerd en ondanks het advies van Heilbron was daarbij de gelegenheid geopend tot het verkrijgen van den graad van Artis pharmaceuticae Doctor. Maar wellicht onder invloed van het door Heilbron niet uitgesproken motief was aan deze gelegenheid de bezwarende voorwaarde verbonden, dat de promotie als Medicinae Doctor daaraan moest vooraf gaan. Het is dus niet te verwonderen dat door slechts weinigen van die gelegenheid gebruik is gemaakt en dat niet meer dan twee zoodanige promoties hebben plaats gevonden, n.1. een, aan de Leidsche Academie, van een Med. Dr., die zich in de provincie Noord-Hol-

Sluiten