Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onze gids zijn. Haar Verslag ademt kennelijk een vrijzinnigen geest. Juist daarom, toont de overgroote behoedzaamheid, waarmede zij des rechters lijdelijkheid te lijf gaat, hoe vastgeworteld de drogredenen zijn, waarmede men dien uitwas vergoelijkt. Indien eene Commissie, van aard zoo vrijgevig als de genoemde, de gifplant niet met wortel en tak uitroeien durft, leide men daaruit af, hoe meer conservatief getinte geesten terugschrikken, voor hetgeen hun eene nieuwigheid dunkt.

Ik schrijf de, tot dit punt betrekkelijke, beschouwing der Commissie in haar geheel af.

Zij zegt: (1)

„Naast meerdere vrijheid in de bewijslevering wenschen wij ook den rechter meerdere vrijheid te geven in het onderzoek, dat hij instelt om tot kennis der waarheid te komen.

Er zijn er, die in dit opzicht eene scherpe grenslijn trekken tusschen de taak des rechters in burgerlijke en die in strafzaken, en aannemen, dat het bij de eersten zou moeten te doen zijn om formeele, bij de laatsten om werkelijke waarheid. Dit onderscheid is in meer dan één opzicht onjuist. De waarheid is één; en is er sprake van formeele waarheid, dan geschiedt dit in dien zin, dat de rechter altijd gebonden is aan de bewijsmiddelen, die tot zijne kennis gekomen zijn, en die hij naar zijn inzicht heeft te waardeeren. Eene beslissing omtrent de absolute waarheid geeft de rechter, als feilbaar mensch, nooit.

Zelfs zou men kunnen beweren, dat de rechter in strafzaken de minste vrijheid geniet. Art. 395 W. v. Sv., waarop voor het tegenovergestelde beroep wordt gedaan, geeft hem niet de vrijheid om op de wijze eener Fransche jury geheel zijne overtuiging te volgen, maar ontheft hem enkel van de verplichting om te veroordeelen, wanneer hij niet volkomen van de schuld des beklaagden

(1) Ontw. (den Haag 1901) blz. 40 § 2.

II

Sluiten