Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onbekommerd, ten aanzien der vraag, of hetgeen hij voor recht uitgeeft, wel waarlijk recht is. Zóó onbekommerd, dat, volgens de Commissie, hij, de rechter, het niet heeft zich aan te trekken, indien zijne rechtspraak eens een onreclitspraak ware. Immers, partijen staan voor alles, verantwoorden alles, en oefenen op elkander zulk „een heilzame controle" uit. Acht de Commissie het dan om het even, aan welk oogmerk, die krachtsinspanning van partijen wordt dienstbaar gemaakt?

Ik vat, dat men de tusschenkomst des rechters noodeloos acht, indien zijne taak even goed, door partijen, overgenomen en vervuld worden kan. Indien het echter genen om recht, dezen om belang te doen is, kunnen immers rollen, zoo hemelsbreed verschillend, niet verwisseld worden. Doet men het, met de Commissie, wèl, dan wordt aan dien ruil opgeofferd én het civiele proces én des rechters stelling. Het eerste, omdat de rechtstrijd ontaardt in een kamp, de zege verschaftend aan den sterkste, den slimste, den behendigste, den meest geveinsde. Het tweede, omdat de rechter, van waardigheid ontbloot, zich vernederd ziet tot toeschouwer bij een conflict, dat hij wèl aanschouwen, niet volgen mag, en toch straks, lukraak, op te lossen heeft. Benijde zoodanig ambt, wie er lust toe gevoelt!

Dat de Commissie, uit de schipbreuk van des rechters zelfstandigheid, welke zij predikt, nog te redden tracht, hetgeen te redden is, strekt haar tot hooge eer. Haar getuigenis: „reeds nu „vordert de wet van den rechter niet die lijdelijke houding, „welke hij in de practijk te dikwijls aanneemt" heeft des te hooger beteekenis, naarmate zij, die het uitsprak, in beginsel voorstandster der lijdelijkheid, meer onverdacht heeten moet.

Inderdaad, mag het ronduit worden gezegd, dat onze wet, die niet deugt, veel slechter gemaakt wordt, dan het geval behoefde te zijn. En omgekeerd, dat de scherpe kanten onzer wet veel meer konden worden afgerond, dan het sommigen, ja velen onzer

Sluiten