Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechters behaagt. Hetgeen de Commissie onzen rechters voorhoudt, zijn steunpunten in de wet zelve, waaruit hare, te weten, de weinige ingenomenheid der wet, af te leiden valt, met hetgeen, in niet weinige onzer audientie-zalen, regel schijnt: algeheele lijdzaamheid. Daartegen kan dus, ook zonder ééne schrede buiten den wetsbodem te zetten, door den rechter zelf, worden gewaakt. De voorstanders der marionetten-leer, mogen dan bedenken, dat zij. juristen, gehouden zijn den zoo echt juridischen regel van Celsus in toepassing te brengen: scire leges non est verba sed vim tenere. Gelijk tegen wetsontduiking eene wet niet te maken is, is er niet kruid gewassen tegen overdrijving, die blind zich tuurt. Ook (misschien juist) slechte wetten moeten toegepast worden, maar het is eene averechtsche judicieele practijk, die het weinige goede, dat zij bevatten, met het vele kaf door de zeef laat glippen.

In één woord, men kan ieder stelsel, ook dat der beste wet, op de spits drijven, en dan slaat het in zijn tegendeel om. Dit ligt aan de tallooze schakeeringen van het menschelijk opvattingsvermogen, hetwelk op den voet te volgen kort en goed eene onmogelijkheid is. Vandaar, dat wet, reglement, instructie, richtsnoer in het algemeen, zoowel door dienstijver, als door onverschilligheid bedorven worden kan. Daarop doelt, van onze naburen, het: Wie man in den Wald hineinruft, so schallt es heraus. Het audiatur et altera pars is eene vermaning voor de gedingvoerenden. Als tegenhanger en herinnering voor zich, diene den rechter: ne quid nimis.

Hooglijk te waardeeren mede is het slot van het betoog deiCommissie, in zooverre daaruit blijkt, dat ook zij niet geringschat de mogelijkheid om den rechter: „nader te brengen tot kennis der waarheid'', hetgeen kwalijk iets anders beteekenen kan, dan inzicht in de materieele waarheid. De Commissie verwijst daartoe naar de artt. 49 en 144 B. R., onder opmerking, dat: „desobere redactie" van eerstgemelde bepaling haar gebruik wellicht belet.

Sluiten