Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar het burgerlijk recht, d. w. z. zoolang men niet voor den bijzonderen persoon den strijd om en voor zijn recht verplichtend wil stellen, zoolang moet ook als logisch gevolg daarvan de invloed van den rechter op den gang van het burgerlijk geding beperkt blijven binnen de grenzen der aangewezen noodzakelijkheid."

Ook hier, meen ik, tot mijn genoegen, bij menig, geenszins onbelangrijk verschilpunt in opvatting en uitwerking, met betrekking tot de hoofdgedachte, eenstemmigheid met mijne beschouwing te mogen constateeren. Dit verschil aan te wijzen is noodeloos, daar de redactie zelve, terecht, principieele processueele vragen slechts zijdelings betrokken acht bij het burgerlijk bewijsrecht.

Juist daarom, zij het dan ook op anderen grond, vereenig ik mij met hare meening, dat de opneming, in het bewijsrecht, van art. 2 HA min raadzaam schijnt. Hier en nu, zou ik willen zeggen, op deze woorden den klemtoon leggende. Het kan niet genoeg worden herhaald : ons procesrecht is een vermolmd gebouw. Dergelijke constructies lapt men niet op. Men breekt ze af en. vervangt ze door een nieuw, in geest en strekking overeenkomende met de Oostenrijksche procesregeling, waarvan de lijnen, zoo even, uitnemend zijn aangegeven (1). Om die reden, is het de bedoeling der volgende regelen, ettelijke processueele grondbeginselen in herinnering en ten toets te brengen.

(1) I. C. Post. Bijdrage tot de hervorming van onze burgerlijke rechtsvordering in Rechtsgel. Magazijn, (jg. 26. Afl. 4.) (Haarlem 1907.)

Sluiten