Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slepen, dat hij het zintuig verliest om te bevroeden, hoe groot het verwijt is, door een niet geringere dan Cicero tot dat Recht gericht. De Romein, levende in den bloeitijd der klassieke rechtsgeleerdheid, blijkens verschillende, behouden gebleven redevoeringen aan haar niet vreemd, voert tegen haar de ongeveer zwaarste beschuldiging aan, die men eenen jurist maken kan, die namelijk van haarkloverij. Hij zegt: „De rechtsgeleerden splitsen tot „in het oneindige, hetgeen op één begrip berust". (1) Bij zijne ontvouwing van het romeinsche proces neemt Ihering deze uitspraak tot uitgangspunt, ziet daarin een eeretitel, en beticht Cicero niet van feitelijk onjuiste waarneming maar van gemis aan oordeelskracht (juristische Urtheilslosigkeit). Straks — het is waarlijk niet te veranderen — zullen wij, op hetzelfde rechtsgebied, beide mannen in lijnrechte tegenstelling zien. Cicero namelijk zegt: „Men doe om processen te vermijden, al wat „mogelijk is ja, misschien wel nog iets meer dan mogelijk is ; immers niet slechts is het vrijgevig maar zelfs „nuttig een weinig van zijn recht te laten varen". (2) Ihering daarentegen schrijft een betoog, ten einde tot processen aan te vuren, onder voorwendsel, dat het zoo

(1) Jurisconsulti . . . quod posituni in una cognitione est, id in iniinita dispertiuntur, de leg. II. c 19.

(2) Convenit a litibus, quantum licet, et nescio au paulo plus etiam quam licet, abhorrentem esse: est enim non modo liberale, paululum nonnuniquam de suo jure decedere, sed interdum etiam fructuosum. De off. ii. 18.

Sluiten