Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet loont de moeite een oogenblik bij de herkomst van dit onderdeel der fransche rechtspleging stil te staan, al ware het slechts om te toonen, hoe wankel het voetstuk van menschelijke instellingen zijn kan.

Ons Oud-Hollandseh recht kende vredemakers, in drieledigen zin.

Vooreerst, die, vermeld in den Codex Batavus van Zurk (1): „In verscheide Steden van Holland heeft „men subalterne regtbanken van kleine of geringe zaken; „in welke de plano werd regt gedaan, tot zekere som „gewezen bij arrest; en tot zekere meerder bepaalde „somme, behoudens appel aan Schepenen.

„Zodanige regters werden te Rotterdam genoemd „ Vredemakers of Commissarissen van kleine zaken."

Ten tweede, die, aangeduid door van Leeuwen, in zijn Roomsch Hollandsch recht (2): „Lijf om lijf te vegten „bij beroep, schijnt van ouds onder de Hollandse Ridder„matig en een geoorloofde zaak geweest te zijn." Tot het keeren dier hebbelijkheid werkte mede: „dat so wanneer „tusschen twe of meer enige twist of geschil was ontstaan, „waar uit men vreesde dat eenige handadigheid sou volgen, „op de aanklagt of anders ex officio, so des kenlijk wierd, „bij den Rechter van de plaats, aan deselve persoonen „een vrede wierd aangeseid, en deselve bij gijzeling, of

(1) Rotterdam 1757 blz. 1174 § I en II.

(2) Amsterdam 1783 11 blz. 201 en '264.

Sluiten