Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vatten, het mondeling voorgedragene te herleiden tot iets schriftelijk blijvends, schijnt mij, historisch en practisch, onberispelijk te zijn, met name, wanneer ik nog twee verschijnselen overweeg, welke de heeren mij veroorloven zullen mede te deelen.

Het eene verschijnsel is, hetgeen in Duitschland plaats grijpt, te weten, de beschouwing over het invoeren van beroep in rechtzaken voor schepengerechten.

Tot nu toe, oordeelden de schepenkamers inappellabel, zij vormden de eerste en laatste instantie ; maar er is eene behoefte ontstaan om het beroep in te voeren tegen de vonnissen der schepengerechten, en naar aanleiding daarvan, is een reeks van geschriften ontstaan.

Belangwekkend nu is, daar het voor strafzaken geldt, en er immers zekere betrekkingen en verwantschappen met de burgerlijke zaken bestaan, dat, herhaaldelijk, de meening geuit is, ook de behandeling voor de schepengerechten kan niet geheel mondeling zijn, maar er moet een zeker schriftelijk aansluitingspunt verstrekt worden, opdat liet gesprokene niet vervloeie, en de hoogere, de rechter in beroep, iets vindt van het, in eerste instantie, behandelde procesmateriaal. Hierbij immers zijn wij eenstemmig, dat eene hernieuwing der behandeling in beroep, in vollen omvang, een algeheel doorvoeren van den rechtstrijd in de tweede instantie, voor onze verhoudingen, onaannemelijk is. Deswege, moet er, in eerste instantie, geverbaliseerd worden.

Een tweede verschijnsel, waarop ik de heeren opmerk-

Sluiten