Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II. Het Vertrek.

jPj^acNvijl ons rijtuig langzaam vorderde, deed ik een gedeelte | der reis te voet; en op mijn gewonen stap voortgaande, fetellagj was ik dikwijls een half uur vóór het rijtuig te bestemder

plaatse. Eens, toen wij eene kleine stad van Pommeren, als ik mij niet vergis, Zanow, waren doorgetrokken, stonden wij voor een kruispunt van wegen, en ik was verplicht te vragen, welke baan wij te volgen hadden. Een grijsaard van groote gestalte, die waarschijnlijk in dienstbetrekking was, was de eenige persoon, dien ik bemerkte; ik ondervroeg hem en de goede man knoopte aanstonds een droevig gesprek met mij aan. Hij wilde ook het doel mijner reis kennen. Rondweg kwam ik voor mijn plan uit. Tevergeefs poogde hij mij de reis te ontraden. Hij legde zulk eene groote levendigheid in zijne bewoordingen aan den dag, dat mij thans nog zijn vurig oog en krachtige houding voor den geest staat. Toch waren al zijne pogingen vruchteloos. Niets, niets, zelfs niet de gezondste redeneeringen, noch de beste raadgevingen, waren in staat mij te weerhouden. Wie was toch die man? Was het een Engel door den Hemel mij toegezonden om mij te waarschuwen voor de gevaren, die mij dreigden? Doch al ware het geen Engel, zijne tegenwoordigheid in deze plaats kon niets anders zijn dan eene teedere bezorgdheid der Voorzienigheid, om gevaren en ongevallen van ons af te weren. Nog hoor ik de stem van den onbekende in mijn oor weerklinken, toen hij, mijn wederstand ziende, tot mij zeide: „Indien gij dan volstrekt

Sluiten