Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de koelbloedigheid te doen verliezen, zoo noodzakelijk om een goed plan te vormen en uit te voeren. Waarom, in plaats van de Voorzienigheid te beleedigen, niet veeleer in een nederig gebed haren bijstand en hare bescherming ingeroepen ? Moet men niet bekennen, dat door het vloeken de orde omvergeworpen is? De meeste menschen schrijven, wanneer zij slagen in hunne ondernemingen, den goeden uitslag aan zich zei ven toe, en vergrijpen zich aan de goddelijke Majesteit, wanneer zij tegenspoed of ongevallen ondervinden !

Bij onze wederkomst in het dorp Kokenhousen beklaagde zich de raadsheer in heftige bewoordingen over den postillon, die, zeide hij, de reis niet meer wilde vervolgen en gevlucht was, doch hij sprak niet over de beleedigingen en de slagen, waarmede hij hem overladen had. De postmeester vermoedde al aanstonds, dat men den postillon mishandeld had, omdat deze een zijner beste bedienden was. „Gij hebt hem mishandeld", gaf hij te verstaan. De raadsheer wilde het feit ontkennen ; de postmeester zag mij ondervragend aan. Ik maakte van het oogenblik, waarop hij mij gadesloeg, gebruik, om hem door teekens te verstaan te geven, dat men den koetsier geslagen had. Het gevolg daarvan was, dat er eene heftige woordenwisseling ontstond tusschen de beide partijen. Men beleedigde en dreigde. De raadsheer verzekerde, dat hij zich te St.-Petersburg zou beklagen, de postmeester zou zijn beklag indienen bij het regentschap te Riga.

Deze twist vertraagde ons vertrek. Men dacht er niet meer aan de paarden in te spannen. Geen enkele postillon wilde mede op route. De koerier werd op zijne beurt boos en de twist werd algemeen.

In dien tusschentijd was ik in mijn rijtuig gestapt. De broeder van den postmeester kwam tot mij, toen hij zag, dat de beide partijen verwoed tegen elkander ingingen en zeide mij op geheimzinnigen toon: „Uw naam komt niet op het paspoort voor." Ik wist niet, wat ik hem moest antwoorden. Helaas, hij verwijderde zich, zonder zich verder te verklaren. Waarom deed hij mij het bevel niet kennen, dat de naam van ieder reiziger op het paspoort moest vermeld worden en dat den postmeesters verbood paarden af te staan aan degenen, welke

Sluiten