Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IX. Mijne Ontvluchting.

[feovertuigde mij spoedig, of de raadsheer sliep. Het ÜÜ ë$H sloeg elf uur. Het was helderliclite maan, doch de llÉiyiiia hemel bedekte zich met wolken. Het oogenblik scheen mij gunstig. Ik beproefde op te staan. Reeds had ik den eenen voet op den grond, toen er iemand de kamer binnentrad: ik legde mij weer aanstonds neder. Tien minuten later, toen ik niets meer hoorde, deed ik weder eene beweging om rechtop te staan: dezelfde schrik, men liep door de kamer heen. Eindelijk na nog een kwartier te hebben gewacht, heerschte er de diepste rust in het huis; ik stond weder op. Op hetzelfde oogenblik hieven zeven of acht stemmen een lofzang aan, wat den raadsheer plotseling deed ontwaken. Gelukkig dat hij mij niet buiten mijne legerstede gezien had. Ik kwam er andermaal met den schrik af, doch ik wanhoopte er aan mijn plan te kunnen uitvoeren, want de gezangen, die ik gehoord had, herinnerden mij, dat het Zaterdag dus Sabbath was, gevierd door den joodschen herbergier en zijn geheele gezin.

Reeds sedert een uur had de ceremonie den raadsheer belet te slapen. Toen begon hij beleefd en dringend te vragen, dat men die luidruchtige gezangen staken zou. Ik voegde mijn verzoek bij het zijne, doch niet vóór twee uur hield het leven op en kon iedereen rustig slapen. Ik stond toen zoo zacht mogelijk op, maakte het lint van het venster los en opende het zonder het minste gedruisch. Ik luisterde even of de koerier

Sluiten