Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een brief aan den kamerling Von Bever, en den baron Von Lowenstern, een derde aan mijne echtgenoote terwijl ik nog eenige andere stukken in gereedheid bracht, waarvan ik den inhoud nog niet kan opgeven. Terwijl ik daarmede bezig was, werd ik verrast door de aannadering van een onweder, dat boven mijn hoofd dreigde los te barsten. De donder rommelde, de pijnboomen schudden, de heuvelen werden geschokt. Ofschoon ik wist, dat het gevaarlijk is tijdens den bliksem onder een grooten boom te schuilen, wilde ik toch mijne plaats niet verlaten. Weldra viel de regen bij stroomen neder, mijne kleederen werden doornat. Ik werd in den beginne een weinig door de koelte verfrischt, dewijl mijn lichaam door het lijden verhit was. De koude kon voor mij noodlottige gevolgen hebben, doch daaraan dacht ik niet. De dorst folterde mij en gretig ving ik de regendruppelen op, die van de bladeren der boomen, door den wind bewogen, nedervielen. Het genoegen, waarmede ik die traan des hemels opving, herinnerde mij den rijken vrek uit het Evangelie, die door de vlammen der hel verschroeid, met aandrang smeekte, dat men een enkel druppeltje water op zijne tong zou laten vallen. Ik was nu wel in de gelegenheid eenigszins zijne ijselijke foltering te begrijpen en kon op mijn gemak die zware beproeving overwegen. Het duurde vrij lang, eer ik mijn dorst volkomen gelescht had. Spoedig kwam de zon en droogde de verkwikkende druppelen voor mijn oogen weg.

Tot nu toe had ik nog geen enkel menschelijk gerucht vernomen. Het rollen van een rijtuig over een weg, die niet ver van mijne schuilplaats verwijderd scheen, had alleen mijne ooren getroffen. Ik meende, dat deze de groote weg en het rijtuig het mijne was, waarin de raadsheer naar Riga terugkeerde. Ik werd daarom eenigszins ongerust. Het gevaar ging voorbij. Doch tegen den middag — wie beschrijft mijne ontsteltenis — hoorde ik duidelijk den stap van een ruiter, die recht op mijne schuilplaats afkwam. Ik hield den adem in, legde mij plat ter aarde, om te kunnen zien zonder bemerkt te worden.

Inderdaad, een boer doorkruiste in alle richtingen de weide in mijne nabijheid; hij beklom den heuvel, steeg dien af en zag naar alle richtingen rond, hij doorzocht elke struik, hij keek naar den boom, aan welks voet ik nederlag ... kwam er

Sluiten