Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ster van de kamer, waar ik het licht bespeurd had en zag er drie personen, zonder twijfel kameniers. Twintig maal strekte ik de hand uit om te kloppen; twintig maal trok ik ze met ongerustheid terug. Eindelijk kregen het gevoel mijner ellende, de algeheele verlatenheid, waarin ik mij bevond en de honger, die mij kwelde, de bovenhand; ik klopte.

Het was geschied!

Een meisje nam het licht, opende de deur van den ingang en vroeg, wat ik verlangde. Ik smeekte haar met zwakke en bevende stem om een stuk brood. De maagd staarde mij verwonderd aan. Goedheid en medelijden stonden op haar gelaat te lezen. Toch konden mijn schuchter voorkomen, en het late uur haar niet veel vertrouwen inboezemen: zij antwoordde mij, dat het te laat was, dat hare meesters sliepen en geen enkele bediende wakker was, en dat ze mij op dit oogenblik niets kon geven. „Heb toch medelijden met mij, smeekte ik haar vol droefheid, ik heb den geheelen dag in de bosschen doorgebracht, zonder eten of drinken, ik kan niet meer verder."

Waarom zijt gij dan bij dit vreeselijk weder in de bosschen gebleven." Zoudt gij?.... Zij nam mij van het hoofd tot de voeten op en deed een beweging van schrik. — „Vrees niets, voegde ik haar toe, heure gedachte en de oorzaak van hare vrees radende, vrees niets; ik ben ge^n dief of een bedelaar. Kijk, ik heb meer geld, dan ik noodig heb. Ik ben een slachtoffer van het droevigst lot. Ach, ik bid u, maak, dat ik uw meester spreke." —

— „Maar hij slaapt.

— Is baron Von Lowenstern hier?

— Neen, hij is te Kokenhousen en komt morgen vroeg terug.

— En zijne familie?

— Deze is op het kasteel.

— Bewoont ook Mevrouw Plater, die uitmuntende dame, welke te Leipzig bij de familie Lowenstern verbleef, dit kasteel?

— Ja.

•— Zoudt gij haar niet willen wekken?

— Ik durf niet.

— Gij zoudt mij het leven redden.

— Luister! Ga naar den secretaris, gij kunt daar wachten tot morgen vroeg.

Sluiten