Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

luisteren, deelde het geld rond en verwijderde zich met den koerier, terwijl de lieden hem met vreugdig gelaat voor zijne vrijgevigheid dankten.

Zoodra het volk vertrokken was, verscheen met ontsteld gelaat de goede vrouw, wie ik daags te voren een stuk brood had gevraagd en die mij de deur mijner nieuwe gevangenis geopend had ; zij zeide zacht iets tot verscheidene personen, welke nog in de zaal aanwezig waren en gaf mij uit naam harer meesteres een soort van zakje met twee groote linten. Zij verzocht mij het onverwijld onder het dichtst mijner kleederen te verbergen : „Twee honderd roebels zijn er ingenaaid, zeide zij ; men moet uwe zakken nazien, uw geld ontnemen, zorg dat men dezen reispenning niet ontdekke." Op hetzelfde oogenblik verliet zij weder het vertrek en gunde mij den tijd niet haar te antwoorden. Ofschoon ik haar oogmerk niet begreep, deed ik werktuigelijk, wat zij mij aanbevolen had en had hot juist geborgen, toen de raadsheer binnenkwam.

Was het inderdaad Mevrouw Von Beyer, welke mij dit geschenk zond ? Wie gij ook zijt, edelmoedige en gevoelige vrouw, zeide ik tot mij zeiven, terwijl ik deze beurs wegborg, wie gij ook zijt, ik zal uwe gift bewaren tot den dood, als een aandenken van uw medelijden voor een ongelukkige".

Het oogenblik van vertrek was genaderd ; de jonge graaf van Lowenstern, bracht mij, behalve de geneesmiddelen, die ik hem gevraagd had, eene dik gevoerde kamerjas, een lakensche jas, twee wollen hoofddeksels, een paar laarzen en andere onontbeerlijke zaken. Ik omhelsde hem en verzocht hem mijne echtgenoote met mijn droevig lot bekend te maken. Hij beloofde mij het te zullen doen. De tranen, die over zijne wangen biggelden, waren mij het zekerste bewijs, dat hij woord zou houden. Daarop greep hij de hand van den raadsheer, bezwoer hem mij met goedheid te behandelen en mij mijne ondoordachte vlucht niet aan te rekenen. Met zijne gewone beminnelijkheid antwoordde mij de raadsheer, dat ik gerust kon zijn. Ik was meer bezig met het verzoek van den jongen Lowenstern, dan met dit antwoord. Des jonkmans woorden getuigden toch van teergevoeligheid en deelneming. Meenende dat alle harten zoo zuiver, zoo edelmoedig waren

Sluiten