Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenigd. De atmosfeer werd spoedig zoo drukkend, dat de raadsheer hen ten laatste allen de kamer uitdreef tot de postmeesteres toe, wier woede nog niet bedaard was en die plan had weer op nieuw te beginnen, zoodra ze met mij alleen was.

Ik stond nu man aan man tegenover den raadsheer, die mij gewichtige zaken wilde mededeelen. In den beginne was ik een weinig onthutst voor zijn geheimzinnig voorkomen ; bevreesd was ik evenwel niet. Ik besloot alle gebeurtenissen moedig onder de oogen te zien. Hij groette mij volgens zijn gewoonte uiterst beleefd, alvorens te spreken; vervolgens zeide hij mij: Neem mij, Mijnheer, de strenge maatregelen niet kwalijk, die ik te uwen opzichte gebruiken moet; uwe vlucht is er de oorzaak van". Deze aanhef was weinig bemoedigend, en ik meende, dat hij mij ketenen zou. De raadsheer, die duidelijk den indruk bemerkte, welke deze eerste zinsnede op mij maakte, verklaarde zich aanstonds veel duidelijker en voegde er bij: „Gij hebt een klein koffertje, dat men in uw bezit heeft gelaten, wees zoo goed mij den sleutel te geven, opdat ik er uw geld in berge en alles wat ge nog bij u kunt hebben. Indien gij iets mocht begeeren, van hetgeen dit kistje bevat, vraag het mij vrijelijk; ik zal mij haasten het u te bezorgen". Nu werd ik een weinig geruster en gehoorzaamde. Het was voor mij geene nieuwigheid meer mijne zakken te ledigen. Ik haalde er sleutels, geld, een schaartje, potlooden, stukjes papier, mijn horloge uit, in één woord alles wat ik bezat. De raadsheer sloot het kistje zorgvuldig en stak den sleutel bij zich. Hoe verheugde ik mij, dat hij het kleine zakje niet had bemerkt, hetwelk aan een band om mijn middel hing. Ik dankte in stilte de edele weldoenster, die mij met zooveel voorzichtigheid had bijgestaan.

Toen alles in mijn rijtuig verpakt was, vertrokken wij, achtervolgd door de kreten der postmeesteres, die het verlies van haar paard niet kon vergeten. Ik zal niet beproeven te beschrijven, wat er den eersten dag van onze reis voorviel; ik kon noch eten, noch drinken, noch slapen, ik was als vernietigd, als een man die van zijn zinnen beroofd was. Het geschommel van mijn rijtuig alleen deed mij uit deze ongevoeligheid ontwaken. De oogenblikken van oponthoud bij het

Sluiten