Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de koude en den regen te beschutten; ik weigerde te eten, mijne krachten namen zichtbaar af; ik kon niet meer in het rijtuig stappen, noch hetzelve verlaten zonder de hulp van den koerier; ik was zoo veranderd, dat ik van schrik terugdeinsde, wanneer ik mijn gelaat in een spiegel beschouwde. Mijn toestand moest den raadsheer ongerustheid inboezemen; eene vrees, die ik echter niet aan medelijden en deelneming kon toeschrijven. Het scheen mij, dat hij uitsluitend vreesde zijne zending niet behoorlijk te vervullen of dat hij voor mijne gezondheid verantwoordelijk was. In deze vermoedens werd ik nog versterkt, toen ik bespeurde, dat hij pogingen wilde aanwenden om mij op te vroolijken, gerust te stellen en te noodzaken eenig voedsel te gebruiken. Het was onvermijdelijk, dat het de noodlottigste gevolgen hebben zou, indien ik nog eenigen tijd mijne gewone leefwijze volgde.

Mijn God, wat zijn de menschen ongelukkig, indien zij zich van U verwijderd houden, als zij door tegenspoed gekweld worden. Ja, verschrikkelijk ongelukkig, want zij lijden zonder eenige verzachting en zijn der wanhoop nabij. En wat nog betreurenswaardiger is, alles wat zij verduren is louter verlies, dewijl zij er geen enkel voordeel van hebben, noch in dit, noch in het andere leven. Beminnen zij U integendeel, dan zullen zij verzachting vinden voor hunne kwalen, zij bewaren den vrede des gemoeds te midden van de wreedste beproevingen, wetende dat deze alle van uwe vaderlijke Voorzienigheid komen en tot hun grooter welzijn zullen strekken. Zij hebben de overtuiging, dat niet een hunner tranen, niet een hunner zuchten voor den hemel verloren is. Aldus beschouwd, verandert het ongeluk volkomen van gedaante, en wordt dragelijk. Men lijdt, maar men weet, dat de smart een God tot getuige heeft en dat zij eenmaal honderdvoudig zal beloond worden. Deze gedachten ondersteunden de martelaren in hunne afgrijselijke tormenten en de kluizenaars in het gestreng leven, dat zij in de woestijnen leidden. Bovendien ontvingen zij zulke groote zedelijke voldoeningen, dat zij zich te midden hunner kwellingen verheugden, dat zij noch tyrannen, noch ziekte of dood vreesden. Wat zijn alle wijsgeeren dezer wereld klein, vergeleken bij den waren Christen!

Sluiten