Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

papieren — en dit sloeg mijne hoop weder den bodera in — de oorzaak mijner ballingschap niet waren en dus ook mij de vrijheid niet konden terugschenken. Toch moet ik bekennen, dat mijne bespiegelingen mij eenige minder droevige oogenblikken hadden bezorgd, waarover ik niet te klagen had.

Sedert de drie dagen, dat wij Stockmannshof verlaten hadden, had ik niets willen eten of drinken. Eindelijk stemde ik, bemoedigd, helaas, door eene ijdele hoop, er in toe eenig voedsel te gebruiken. Ik vond niets meer van mijn mondvoorraad: likeuren, vleesch, brood, en de verschillende gerechten, welke Mevrouw Von Beyer in het rijtuig had doen bergen, alles was door mijne geleiders gebruikt. Ik wenschte eene tas koffie en een glas wijn, doch kon het niet bekomen. Ik moest mij tevreden stellen met twee versche eieren en een glas water. Dewijl de nachten koud waren, wilde ik den lakenschen mantel, welken de jonge Lowenstern mij gegeven had, op mijne voeten leggen, doch de koerier had er zich van meester gemaakt, alsook van mijne laarzen. Ik durfde ze hem niet terugvragen en daardoor had ik groot ongelijk, want door mijne zwakheid aangemoedigd, bekreunden zich zoowel de raadsheer als de koerier om niets meer. Zij bedienden zich van alles wat mij toebehoorde, ja wat nog meer is: eerst kwam eene gemeenschap van goederen, later die van geld. Had ik eenige beuzelingen te koopen, moest er iets aan mijn rijtuig hersteld worden, dan was ik verplicht een bankbiljet van 2o roebels te geven j zij wisselden het en gaven mij bijna nooit iets terug. Enkele malen kreeg ik een weinig van het overgeblevene. Wanneer den raadsheer geld ontbrak, schaamde hij zich niet bij mij geld te leenen en wanneer ik eenige tegenbedenkingen maakte, dwong hij er mij toe. Dit was toch al te broederlijk handelen. Ik was dus verplicht hen de geheele reis vrij te houden en ofschoon ik zelf niets dan eieren gebruikte en enkele malen een stukje gebraden vleesch, berekende ik, dat mijne reis mij op minstens vierhonderd roebels te staan kwam, zonder de onkosten van het rijtuig mede te tellen.

Eene andere oplettendheid van die heeren en die ik niet stilzwijgend kan voorbijgaan, was, dat het menigmaal gebeurde,

Sluiten