Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de waard kwam op ons toe met twee lantaarn en in de hand, liet ons een prachtige trap opgaan en bracht ons in een rijk gemeubileerde voorkamer. Ik veronderstelde, dat wij thans voortreffelijk zouden bediend worden; ik juichte de keuze van den raadsheer toe en verheugde mij bij voorbaat den nacht in eene goede kamer, op een goed bed te kunnen doorbrengen, doch ik vond mij weder deerlijk bedrogen. Toen de herbergier terugkwam, geleidde hij ons naar het vertrek, dat hij voor ons bestemde. Verbeeld u eene zeer ruime zaal van ontzaggelijke hoogte, waar de echo ieder woord terugkaatst, waar iedere voetstap dreunend weerklinkt; de vensters waren gebroken, onze legerstede was geheel naakt, de tafel vermolmd; er was geen spoor van stoelen, banken, spiegels en andere onontbeerlijke meubelen te zien. De muur was bedekt met een versleten behangsel; in één woord het leek mij een armzalig verblijf. Ofschoon ik grooten tegenzin gevoelde mij hier te huisvesten, durfde ik mij niet beklagen; ik was te vermoeid en verzocht alleen, dat men wat hooi zou spreiden over het houten bed. Toen dit geschied was, legde ik mij zonder te spreken ter ruste. De koude wind speelde door de gebroken vensters en ik had niets om mij te dekken dan mijn reismantel en een goed gevoerde kamerjas: mijne geleiders hadden zich van al mijne goederen meester gemaakt. Niettegenstaande dat alles hoopte ik gerust te slapen, doch de koude en het ongedierte beletten mij een oog te sluiten. Wien kan het verwonderen, dat al die onaangenaamheden mijne kwalen verergerden. Een hevige koorts overviel mij. Mijne oogen veroorzaakten mij ondragelijke pijn.

Ik wachtte met ongeduld het ontwaken van den raadsheer af; eindelijk stond hij op. Ik verzocht hem een geneesheer te ontbieden. Het onmensch weigerde hardvochtig. Hij zeide mij, dat de rust het eenige middel was tot behoud en dat ik den geheelen dag maar te bed zoude blijven.

De koerier, dien ik trachtte voor mijne zaak te winnen, antwoordde mij, dat ik maar goed moest eten en drinken. Die onverbeterlijke gulzigaard meende, dat het voedsel, ir groote hoeveelheid gebruikt, het algemeene middel was tegen de ziekten der ziel en des lichaams.

Sluiten