Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vermoeid door zooveel weigeringen, hernam ik: „Indien gij zoo weinig belang stelt in de zaligheid mijner ziel, denkt dan tenminste, dat ik een mensch ben, dat ik gewichtige zaken heb te regelen, dat het onvermijdelijk is, voor mijn afsterven mijne familie te verwittigen van den toestand mijner fortuin, opdat zij geene aanmerkelijke verliezen hebbe te lijden.

Het kan toch de bedoeling van den keizer niet zijn mijne vrouw en kinderen te straffen; het recht van een testament te maken is een heilig recht, dat zelfs aan misdadigers niet geweigerd wordt." Vergeefsche opmerkingen! Zijne ooren bleven even doof als zijn hart. „Gij moet mij tenminste toestaan eenige regels aan mijne echtgenoote te schrijven, ik zal ze u zelfs laten lezen. Hebt gij mij onderweg niet meermalen beloofd u met mijne correspondentie te willen belasten?" Na nog langen tijd te hebben nagedacht en getwijfeld, of hij mij de gevraagde gunst zou toestaan, besloot hij eindelijk toe te geven. Ik schreef slechts vijf regels: zij bevatten niets, wat betrekking had op mijn droevigen toestand; het was eenvoudig eene vriendelijke vermaning aan mijne vrouw, om met kloekheid de wederwaardigheden te verdragen; ik spoorde haar vooral aan zich voor het welzijn onzer kinderen te sparen, die geen vader meer zouden hebben, als zij dit schrijven ontving. Zoodra ik geëindigd had, liet de raadsheer vertalen, wat ik geschreven had. Er niets stootends in vindende, stond hij mij toe het papier te verzegelen; hij nam het van mij aan en verzocht den majoor het op de post te bestellen. Na deze beschikkingen was ik gerust en ik wachtte met moed den dood, die mij eerlang treffen zou. Doch eenige uren daarna berichtte mij de koerier, met wien ik een oogenblik alleen was, dat mijn brief in de keuken verbrand was. Toen was ik mij zeiven geen meester meer; ik wilde mijn afschuwelijken tiran met beleedigingen overladen. Helaas, de vrees om den koerier eenige onaangenaamheid te berokkenen, wederliield mij. Kon ik thans mijne wroede niet koelen, zij wras er niet minder hevig om. Nog nooit had de raadsheer door zijne hemeltergende plagerijen mijn geduld zoo vermoeid. Ik gevoelde voor hem een onoverwinnelijken afkeer.

Toen ik een wreinig bedaard was, overwoog ik, dat Alexander

Sluiten