Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK V.

Eene onaangename Tijding.

p een morgen liet de gouverneur mij ontbieden. Toen ik binnenkwam zag ik, dat zijn gelaat blijkbaar verlegen was; ik beefde, hij bemerkte het en liet mii

daarom niet langer in onzekerheid: „Uwe aankomst, zeide hij mij, verwekt nog immer eene zoo buitengewone sensatie, dat het mij onmogelijk is u als een eenvoudige banneling te beschouwen; ik ben integendeel verplicht zeer omzichtig te uwen opzichte te zijn. De raadsheer, uw geleider, maakt volstrekt geen haast om terug te keeren. Misschien heeft hij een geheim bevel, om mijn gedrag tegenover u te bespieden; en hij behoort tot die lieden, voor wie de minste beleefdheid en aandacht, welke men bannelingen betoont, een strafwaardige daad is. Misschien ook zullen de senatoren, die zich in mijn gouvernement bevinden, opmerken, dat ik u eerder als vriend dan als banneling behandel. Uw eigen veiligheid en de mijne eischen dus dringend, dat ik de vrijheid beperke, welke ik u tot dusverre gelaten heb. Ik zie mij verplicht u voor te stellen (ik heb den moed niet het u te bevelen) geen ander bezoek meer te ontvangen dan dat van uw geneesheer, en u naar niemand meer te begeven, dan naar hem en naar mij. Mijn huis zal altijd voor u openstaan."

De voor mij wel is waar pijnlijke beslissingen van den gouverneur konden mij niet tegen Mijnheer Von Kuschelef innemen. Het was verre van mij een zoo edelmoedig man in ongelegen-

10

Sluiten