Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XII.

Droevige Herinneringen. Een Feestmaal.

Endanks dat alles verscheurde de herinnering aan vrouw en kinderen mij voordurend het hart. Hoe lang reeds was ik van het geluk verstoken hen te zien, was ik

onbekend met hun lot! Hoe dikwijls herhaalde ik in oogenblikken van weemoed: „Wellicht zal ik nooit meer tijdingen van hen ontvangen."

Hoe lang scheen ons vroeger de tijd, waarin ik mij om mijne ambtsbetrekkingen gedurende eene maand van mijne echtgenoote moest verwijderen! En dan hield ik nog dagelijks met haar briefwisseling! En nu, helaas, ik had in mijne ballingschap nog geen enkelen harer brieven ontvangen. Ik herinnerde mij nog zoo levendig de reis, die ik om gezondsheidsredenen naar Pirmont moest maken. Mijne echtgenoote kon mij niet vergezellen. Er was besloten, dat ik hoogstens drie weken zou wegblijven, een tijd, die voor mijne genezing noodzakelijk was; doch na verloop van tien dagen kon ik de verveling niet langer uitstaan. Ik werd zieker dan ooit. Ik bestelde haastig paard en rijtuig en keerde terug in den schoot mijner familie. En nu, reeds acht weken gevoelde ik mij zoo verlaten, zoo alleen. Ik kwijnde weg in een hoek der aarde. Groote God, welke smart. Hoe kon ik nog leven ? Hoop, welk is uwe macht, gij alleen hield mijn wankelend hart staande!

Plannen van ontvluchting rezen weder in mijn geest op! Ik overlegde eene kans, waarin alles voorzien, alles berekend en gewogen was. Ik deelde het mijn vriend Kinioekoff mede,

Sluiten