Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IX.

Het blijde Wederzien.

Eg"S^ntusschen had ik een onderhoud met Mijnheer Fuchs. K® Eerlang stond mijn vriend Graumann vóór mij: zijn vroofêlijk gelaat, de trillingen zijner stem, alles voorspelde mij goed nieuws: „Welnu, sprak ik, hebt ge mijne vrouw gevonden?"

— Zij is daar, antwoordde hij mij, ik kon haar niet langerterughouden." Bij deze woorden slaakte ik een vreugdekreet: „Dat zij kome, dat zij kome, riep ik in vervoering uit. — „Ik ga ze halen." Ik had bijna het verstand verloren; ik wederhield Fuchs, die uit beleefdheid en om ons niet in de eerste oogenblikken van ons geluk te hinderen, zich wilde verwijderen : Blijf hier, sprak ik, gij zult getuige zijn onzer vreugde." Ik hoorde Graumann, ik vernam de stem mijner vrouw; de deur opende zich, ik sprong op en vloog mijne echtgenoote in de armen. Helaas, het gevoel der vreugde bracht haar in denzelfden toestand als dat harer droefheid : zij verloor het bewustzijn.

Te vergeefs zal ik trachten dit tooneel te beschrijven. Wie begrijpt niet al het zoete en bekoorlijke van zulk eene onverwachte vereeniging ? Moet ik zeggen, dat er oogenblikken zijn, die vele jaren lijden doen vergeten ? Alle bijzonderheden zouden slechts dienen, om mijn geluk te onderschatten.

Graumann hielp mij om mijne echtgenoote op een stoel neder te zetten. Het gelukte mij spoedig haar door streelende woorden tot bewustzijn te brengen. Toen de eerste oogenblikken van vreugde voorbij waren, en wij gemoedelijk met elkander

mij goed

Sluiten