Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheen de vorst misnoegd in de wachtkamer en zeide mij slechts deze woorden; „Kom over twee uur bij mij terug: het stuk is nog niet krachtig genoeg."

Weinig gevleid door dit antwoord, keerde ik treurig huiswaarts, wel overtuigd, dat mijn werk nooit de goedkeuring van den monarch zou wegdragen. Nauwelijks was ik te mijnent aangekomen, of een der voetknechten van Zijne Majesteit kwam mij verzoeken onverwijld ten paleize te verschijnen. Er scheen haast bij, want de bediende stond hijgend voor me. Ik haastte mij aan de bevelen van den vorst te gehoorzamen.

Ik voelde eene geheime vrees, toen ik mij naar de keizerlijke woning begaf, doch ik beefde nog meer bij het in- en uitgaan der verschillende vertrekken. Met ontsteld gelaat bevond ik mij eindelijk voor het kabinet van den Czaar aller Russen en durfde nauwelijks ademhalen. Ik zag hem dan, den monarch, dien ik zelfs vreesde te ontmoeten; hij was alleen met den graaf Von Pahlen.

Zoodra hij mij zag, stond hij op, kwam naar mij toe, maakte eene buiging en zeide met goedheid: „Mijnheer Von Kotzebue, ik moet beginnen met mij met u te verzoenen."

Ik had gemeend een vorst te zien, wiens fiere en gebiedende aanblik een overweldigenden indruk maken en ontzag zou gebieden. Ik stond dus niet weinig bewogen over het eenvoudige en vriendelijke uiterlijk, hetwelk Paul I onmiddellijk bij mijn verschijnen aannam. Nauwelijks had de keizer deze woorden, welke zijne goedhartigheid verrieden tot mij gericht, of alle vrees was verbannen en ik vergat den onrechtvaardigen monarch om alleen den gemoedelijken te beschouwen. Volgens de regels der etiquette wilde ik mij op de knieën werpen en hem de hand kussen, doch hij richtte mij vriendelijk op en drukte een kus op mijn voorhoofd. Hij sprak mij in het Duitsch aan: „Gij kent te goed den toestand van Europa, om niet op de hoogte te zijn van de politieke gebeurtenissen. Gij moet dus weten, welke figuur ik er gemaakt heb. Ik heb er mij dikwijls als een zot gedragen (dit zijn de eigen woorden van den keizer), het is billijk, dat ik er voor gestraft word: ik heb mij zeiven de kastijding opgelegd, die ik verdiend heb. Ziehier een stuk, hetwelk ik gaarne geplaatst zag in de Gazette

Sluiten