Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten voordeele van een mijner vrienden, aan wie een traktement van vijftienhonderd roebels werd verzekerd. Nu kon ik op hem geheel den last, die mij sedert lang drukte, laten rusten.

Het paleis Michaïlowitsch was een ware doolhof; de sombere trappen, duistere gangen, in ontzaggelijk aantal aanwezig, eischten, dat er dag en nacht ontelbare lampen brandden. Ik had verscheidene weken noodig, voor dat ik zonder gids dit labyrinth kon doorloopen.

Ik heb reeds gezegd, dat het paleis bovendien zeer ongezond was: het water druipte er van de muren en op vele plaatsen kon men reeds de gevolgen van die vochtigheid bemerken. In de zaal, waar de groote historische schilderijen verzameld waren, heb ik een dikke ijslaag op de wanden gezien, van boven tot beneden voortloopende, en dat ondanks twee vuurhaarden, waar voortdurend een flinke hoeveelheid hout gestookt werd. In de private vertrekken der keizerlijke familie had men wel is waar de ongemakken van koude en vochtigheid voorkomen door de wanden met hout te bekleeden, maar de andere bewoners dezer ijzige woning leden kveel van deze ondragelijke koude. Het paleis was bovendien zeer ongeriefelijk voor personen, die er zaken kwamen doen. Men moest immer reusachtige zuilengangen, sombere corridors doorloopen, waar immer een vreeselijke tocht heerschte. Het was slechts aan een klein getal personen veroorloofd den grooten trap af te dalen; bijna alle bezoekers moesten volgens de gebruikelijke etiquette vertoeven aan eene kleine lage deur en een langen wegmaken, op en afklimmende, om op de plaats te komen, waar zij wezen moesten.

En toch vond de Keizer zulk een lust om dit paleis te bewonen, dat hij boos werd om de geringste afkeuring en glimlachte, als men met eenigen lof van het paleis sprak. Eens bevond hij zich bij een bejaarde dame, die hem zeide: „Men heeft mij de trappen van het paleis als zeer ongemakkelijk afgeschilderd, doch ze zijn zeer goed." Door deze opmerking van eene dame, die zich wegens haar ouderdom beklagen kon, was de vorst zoo verrukt, dat hij luide begon te lachen. De hovelingen, deze zwakheid van den keizer kennende, lieten geene gelegenheid voorbij gaan, zonder er partij van te trekken.

Sluiten