Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van voor eenige maanden. Mijne dankbaarheid jegens God, die mij het leven gespaard en mij teruggegeven had aan al mijne dierbaren, kende geen grenzen; zij verhoogde mijn geluk en heiligde het.

Te Koningsbergen ontmoette ik graaf Kutaissow, den gunsteling en vertrouweling van keizer Paul I. Ik was verheugd in hem een man te vinden, die mij beter dan iemand inlichtingen kon verschaffen over de oorzaak mijner gevangenneming. Dewijl ik hem sedert geruimen tijd kende, vreesde ik niet onbescheiden te zijn door hem omtrent dit punt te ondervragen; men was niet meer in den tijd, waarin het antwoord op eene eenvoudige vraag, in eene geheime zaak, iemand in het verderf kon storten. Hier belette hem niets rondborstig te spreken.

Ik gaf hem dus mijn verlangen te kennen nauwkeurig te weten, welke beweegredenen Paul I had om mij zoo streng te behandelen. Hij antwoordde mij, met ongedwongen openhartigheid, dat de keizer geen enkele bijzondere reden had om zoo te handelen, doch dat ik als schrijver den keizer verdacht voorkwam. Ik moest mij met deze redenen tevreden stellen.

Te huis wedergekeerd, dacht ik aan niets meer dan het overige mijner dagen in vreedzame rust door te brengen, mij wijdende aan nuttige werken. O neen, het geluk is niet te vinden in het najagen van lage genietingen, noch in het verwezenlijken van eerzuchtige droomerijen, — het geluk bestaat alleen in de nauwgezette vervulling van zijne plichten en in een goed gewTeten.

I M P KL1IA T L li.

Amstelodami, 28 Febr. 1901.

H. F. j. Rikmenspoel,

Libr. Censor.

Sluiten