Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door den Minister Loeff, wijzen op juist dezelfde vraag, die ik in 1890 stelde. Immers of men spreekt van vrijheid van partijen in het aanvoeren, of van den rechter in het aannemen van bewijsmiddelen, komt volkomen op hetzelfde neder.

Het ontwerp, ingediend hij Koninklijke Boodschap van 80 September 1903, heeft het afdeelingsonderzoek in de Tweede Kamer der Staten-Generaal doorloopen, en de Commissie van Voorbereiding heeft bij haar op den lNen Januari van dit jaar vastgesteld eindverslag haar oordeel uitgesproken, dat de openbare beraadslaging er over voldoende is voorbereid. De zaak is dus in staat van wijzen, en de behandeling van het ontwerp in, en naar wij willen hopen de aanneming door de Tweede Kamer kan worden tegemoet gezien, zoodra deze den daarvoor noodigen tijd zal kunnen beschikbaar stellen: wat, zoo wij aan sommige te 's-Gravenhage loopende geruchten geloof mogen slaan, reeds in den aanvang van het morgen intredend nieuwe zittingsjaar het geval zal zijn.

Het zij mij vergund, in dit uur Uwe welwillende aandacht te verzoeken voor eenige opmerkingen naar aanleiding van het wetsontwerp en de daarin behandelde stof. Ik zal mij daarbij tot een enkelen greep uit het onderwerp moeten bepalen. "Wilde ik de omvangrijke stof ook maar eenigermate volledig bespreken, ik zou verre de tijdgrens overschrijden die mij door een lofwaardige gewoonte gesteld is.

Het ontwerp heeft, gelijk trouwens in den regel met eenigszins belangrijke stukken van wetgeving het geval pleegt te zijn, een tamelijk lange voorgeschiedenis. Bij Kon. Besluit van 22 Augustus 1887 werd eene Staatscommissie ingesteld tot voortzetting der herziening van het Burgerlijk Wetboek, nadat eene vroegere Commissie reeds een ontwerp voor een nieuw Eerste Boek van dat Wetboek had samengesteld. Den 29en December 1898 diende de Commissie van 1887 aan H. M. de Koningin

Sluiten