Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oplichting oplegt het bestaan van zijn recht te bewijzen, mag »zij den schuldenaar den weg niet openstellen om zich aan »zijne verplichting te kunnen onttrekken, en den schuldeischer »hem niet versperren door op zich zelf rechtmatige en door :>de wet erkende middelen van bewijs uit te sluiten. Waar een »schuldenaar zich niet door geschrift bond, hetzij voorbedachtelijk »zijnerzijds, hetzij omdat tijd of gelegenheid vooreen in schrift >brengen ontbrak, hetzij tengevolge van wederzijdsch goed »vertrouwen, — staat de schuldeischer nu dikwerf vrij wel «machteloos tegenover elke ontkenning. De uitsluiting van het »bewijs door getuigen werkt de kwade trouw in de hand.

Door dergelijke beweegredenen als ik thans uiteenzette geleid heeft de Staatscommissie, en op haar voetspoor de Regeering, voorgesteld het verbod van art. 1933 te laten vervallen. En hetzelfde is het geval met eene andere bepaling, waardoor tegenwoordig het getuigen bewijs beperkt wordt, nl. die van art. 1934 B. AV,: »Geen bewijs door getuigen wordt toegelaten nopens hetgeen tegen of boven den inhoud der schriftelijke >akte gevorderd wordt, noch ook omtrent hetgeen men mogt :>beweren dat vóór, ten tijde, of na het opmaken van zoodanige >akte zoude zijn gezegd." In de eerste plaats wordt hier dus verboden het bijbrengen van getuigen ten betooge dat de inhoud der acte onjuist of onvolledig is, dat zij de bedoeling van hen die haar opmaakten verkeerd of niet ten volle wedergeeft. Ter verdediging van dit verbod beroept men zich op de eischen der zekerheid van het verkeer. En inderdaad, ook hier kan men niet zeggen dat de grondgedachte, waarvan onze wetgever is uitgegaan, onjuist is. Het is werkelijk voor de partij, die een schriftelijk bewijs van de gesloten overeenkomst in handen heeft, van groot belang zich nu ook daarop te kunnen verlaten, de zekerheid te hebben dat, ingeval van verschil, overeenkomstig den inhoud van dat stuk zal worden beslist. Maar dit belang is alleen dan een rechtmatig belang,

Sluiten