Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar dit artikel in het ontwerp niet gehandhaafd. maaralleen omdat het algemeen als overtollig werd aangemerkt. Daarentegen bevat het ontwerp de uitdrukkelijke bepaling, dat de beoordeeling van de waarde der getuigenissen geheel aan den rechter is overgelaten, die »geen feit als bewezen aanneemt, indien hij van de waarheid daarvan niet volkomen overtuigd is."

Een tweede argument, dat de meerderheid der Commissie van Voorbereiding voor hare zienswijze aanvoert, is dat de uitsluiting van het getuigenbewijs in zaken van eenig belang voor personen, die niet gewoon zijn zaken te doen, een waarborg oplevert tegen de vele oplichters. die in de maatschappij »rondloopen. Laat men", zoo zegt de Commissie, art. 1933 B. W. vervallen, dan zal eene actie op grond van enkel door getuigen te bewijzen transacties kunnen slagen, indien >een oplichter een of meer getuigen produceert, die het bestaan ;>eener uit de lucht gegrepen overeenkomst bezweren."

Zoo even reeds trachtte ik te betoogen, dat aan deze redeneering maar weinig waarde kan worden gehecht. Aangenomen al, dat er werkelijk in onze maatschappij zooveel oplichters rondloopen als de Commissie zich voorstelt, komt het mij toch zeer onwaarschijnlijk voor dat zij ook het benoodigd aantal valsche getuigen zouden kunnen vinden, die zich ter wille van die oplichters aan een strafvervolging wegens meineed en eene veroordeeling tot gevangenisstraf van zes jaren zouden willen blootstellen. Bovendien kan men er op wijzen, dat in handelszaken het getuigenbewijs geheel onbeperkt is toegelaten, en men daar toch niet van talrijke gevallen van meineed hoort gewagen. Wel is waar heeft de Commissie op deze opmerking een antwoord gereed. Bij kooplieden", zegt zij in haar verslag, ligt de zaak anders. Hier heeft men te doen »met menschen van zaken, die belang hebben bij een goeden >naam en die reeds daarom niet licht tot schelmerij overgaan." Maar die tegenstelling tusschen kooplieden die wèl, en niet-

Sluiten