Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

allernoodzakelijkst. De zoo even vermelde bepaling van ons tegenwoordig art. 1945 is, naar ik meen terecht, als in eene wet overbodig, uit liet ontwerp weggelaten; maar daarom is zij nog niet onjuist; de rechter zal, ook zonder wettelijk voorschrift, uit eigen beweging in dien zin beliooren te handelen. En nu is het een groot nadeel van dergelijke ruwe, met geenerlei omstandigheden rekening houdende, alles botweg over één kam scherende bepalingen als die van art. 1947, dat daardoor die zorgvuldige overweging door den rechter in gevaar wordt gebracht. De wetgever neemt als het ware den rechter het werk uit de handen, door hem voor te schrijven, aan welke getuigenverklaringen hij in geen geval geloof zal mogen hechten. Het gevaar is geenszins denkbeeldig, dat de rechter er nu licht toe komen zal de verklaringen van andere getuigen, die niet door de wet als onbetrouwbaar worden gestempeld, nu ook zonder veel onderzoek voor in ieder geval betrouwbaar te houden. Terwijl dus aan den eenen kant personen worden uitgesloten, van wie de wetgever aanneemt dat zij onwaarheid kunnen spreken, maar van wie het in werkelijkheid volstrekt niet vaststaat dat zij onwaarheid zullen spreken, wordt aan den anderen kant aan de getuigenissen van personen, die volkomen betrouwbaar kunnen zijn, maar van wie toch ook het tegendeel denkbaar is, een onevenredig groot gewicht gehecht. De kansen op dwaling, die elk bewijs door getuigen ontegenzeggelijk oplevert, worden dus door dit wetsvoorschrift in niet onbelangrijke mate verhoogd.

Onze wetgever zelf heeft trouwens reeds dadelijk bij de vaststelling van het Burgerlijk Wetboek eene bepaling opgenomen, waardoor hij over de geheele onbekwaamheid van bloed- en aanverwanten, om als getuigen te worden gehoord, ondubbelzinnig den staf breekt. Ik bedoel die van art. 19ol, krachtens welke diezelfde personen weer wèl bekwaam zijn, zoodra het geldt twistgedingen betrekkelijk tot den burgerlijken staat der

Sluiten