Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gebruiken bij den rijstbouw.

Feesten, die of geheel of min of meer met den landbouw samenhangen.

Huisbouw, huisinwijding enz.

van de tanden. Hij wijst op het tweeslachtig karakter van 't begrip fêndi en bespreekt nog enkele andere min of meer met fêndi synonieme woorden als nawa, ramboe.

Blz. 114 e.v., handelt over het terugroepen der tëndi, en onderscheidt zeven graden, (gevallen?)

Blz. 120 e.v., meer losse gedachten dan deugdelijk bewijsmateriaal over dibata en ümpneng. 't Zielenland zou ontbreken? (vg. hierbij Kruijt: Animisme). Geen vergelding (?).

Blz. 122, over „bilang". De beteekenis onzeker. (Neen, die is niet onzeker, maar de schrijver verkeert in 't onzekere! Over t geheel lijdt dit gedeelte aan verwardheid.)

Blz. 123 e.v., de godsdienst der Karo's is iets meer dan „voorouderdienst." (zeer juist!) De „algemeene levenskracht" heet ook tëndi. (Ja, zoo noemt schrijver ze, maar ze heeft geen naam, öf het moet zijn, gelijk later S. zelf opmerkt:yang, (dajang). Zoo komt S. op de rijst (blz. 129 e.v.) en bespreekt Sidajang.

Een zeer treffende opmerking over de beteekenis van het tandenvijlen (blz. 134) besluit dit gedeelte. De rest is van mythologischen aard. Men zie dus onder 1.

Neum. Landbouw, blz. 373—384; dez. Beantw. „Vragenlijst" vr. 35. Voorts allerlei korte mededeelingen over den regen roepen, om droogte vragen enz. Med. N. Z. Q. Dl. 38 blz. 234, Dl. 39 blz. 318; Dl. 40 blz. 176; blz. 155—158.

Joustra (1897) blz. 295—298. Beschrijving van het „Mere Pagar Batoe Pikpik" (vg. Westenb. Aant. blz. 239); goeroe-goeroe arün.

Joustra, Pëkoewaloeh, vooral het daar gezegde omtrent het ngangin-ngangin, ërtëlboeh en moero lango op blz. 544. (Vg. hierbij de Haan, Bez. 40 en 41. Voorts is in mijn bezit een schrijven van den heer Meerwaldt, dat op dit „èrfêlboeh" een aardig licht werpt; zie ook warneck:TobDeut. Wörterbuch op tulbu.)

Med. Dl. 38, blz. 68, 242; Dl. 40, blz. 170.

Sluiten