Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Tobameer en omgeving.

De bovenlanden van Asahan en Hoewaloe.

op eigen verantwoording die verdeeling door te voeren, en de voorhanden gegevens zijn nu ook nog niet van dien aard, dat deze een deugdelijke splitsing mogelijk maken.)

Brenner, blz. 150, beschrijving van en opgaven omtrent het meer; blz. 136, de vlakte langs den zuidelijken oever; van Dijk, uitwatering, blz. 640 korte beschrijving van het meer; blz. 642, gebleken onjuistheid van de veronderstelling, dat het meer vroeger in het N.W. een afvoerweg had; blz. 650—653, boottocht van Naroemonda tot Siroewar-, de Batoe Bongbong-, van Dijk, Excursie, blz. 479—481 het Tobameer; afstandsopgaven (vg. bij het overigens aardige schetskaartje, de nieuwste kaart, Topogr. Bureau 1898; de afwijkingen zijn dan niet onbelangrijk. Zie ook de kaartjes bij W. Easton en bij Pleyte); van Dijk, Tochtje, schetskaart; blz. 42), afstandsopgave; blz. 422, grootte; blz. 424 e.v., beschrijving van Samosir; blz. 430—434, van den Oostelijken meeroever. De daar gevonden mededeelingen, verstrekt door lieden van Poerba en Kinalang zijn juist. Easton, Verkenning, blz. 100 102; Muller, Tobameer; en een resumé bij Hoekstra, „Onze kennis; Pleyte, Verkenning.

van Dijk, Habinsaran, blz. 478—480 beschrijving van dit landschap, en blz. 481, van Hoewaloe. Hier trof mij zeer de mededeeling: „Op den bodem van het ravijn gekomen, staat men aan den rand van een steenen kloof of koker van 10 tot 20 M. diepte; de wanden van den koker zijn meestal rechtstandig enz." (Woordelijk nl. zou deze beschrijving toe te passen zijn op de beruchte „Loehoeng" d.i. „afgrond" in het Karo-land, — vg. Westenb., Versl. blz. 21, — die, wat Europeanen betreft, totnogtoe slechts gepasseerd is door zendeling H. Guillaume en door mij. Ook Neumann vermeldt soortgelijke formaties in zijn „Panei- en Bila-stroomgebied", wat dus wijst op een speciaal voorkomen van die formatie over een groote oppervlakte aan de

Sluiten