Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geschiedkundige overleveringen.

Loeboe's en Oeloe's.

verdrongen en vermengd met Atjèhers en Boegineezen, waardoor adat en taal der lieden van Groot-Mandaïling zelfs van die van Angkola verschillen. (Welke gegevens stonden hiervoor den schrijver ten dienste?)

Willer, blz. 404—418, Klein-Mandaïling uit Baroemon bevolkt, Groot-Mandaïling uit Toba, veel vroeger dan Padang Lawas. — Een nieuw geslacht, door de vorsten van Minangkabo afstammend van Alexander den Groote! Eerst bij de stichting van Panjaboengan schijnt men eenigszins vasten grond onder de voeten te krijgen. Stamboom A, tegenover blz. 415 (van Panjaboengan)-, id. B, tegenover blz. 417 (van Siantar, veroverd door Soelthan Janodipertoean); id. C, tegenover blz. 419 (eveneens van Siantar te beginnen bij Maharadja Goenoeng).

Blz. 410, de Padri's (doch zie daarover de uitvoerige werken, die hier niet genoemd behoeven te worden, en die een litteratuur opzichzelf vormen).

De litteratuur daarover is reeds boven (bij Anthropologie) vermeld. Hier moge een beknopt overzicht volgen.

Netscher (naar Willer), blz. 56—61, eerst een paar aanhalingen uit Müller en Horner, blz. 236 en 262 over de Oeloe's, blz. 213 en 251 over de Loeboe's; dan een uittreksel uit een brief van Willer, die in de Loeboe's afstammelingen van de „Maleiers" der Pad. Bovenlanden ziet. Schrijvers conclusie is, dat ze zijn autochtonen van Sumatra.

Henny, Loeboe's en Oeloe's, blz. 401—410, geschreven naar aanleiding van bovengenoemd artikel erkent de groote overeenkomst in taal, maar bestrijdt de (inderdaad wel op zwakke gronden steunende) conclusie omtrent de autochtonie.

Godon, Loeboe's, blz. 261—266. Vermelding der artikelen van Netscher en Henny; resultaat van zijn eigen onderzoekingen; verhouding

Sluiten