Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonder Gouvernementsinvloed); de 6 wegen, waarlangs iemand tot slavernij kan komen; over rechten en plichten tegenover slaven; verschillende graden van slavernij; slavenhuwelijken; het vrij koopen.

Pandelingschap. Blz. 41—44, over pandelingen, de „echte," nl.

halak oetang-oetangan en de „porsingiran"; deze laatste kunnen nooit slaaf worden. Schrijver acht het pandelingschap niet van Batakschen oorsprong (het stelsel past anders m. i. geheel in het Bataksch rechtsbegrip).

Grondbezit enz. Blz. 44—52 handelen over grondbezit en grondrechten ; er is geen grond, die niemand toebehoort; het recht van eigendom van den vorst is geen souvereiniteitsrecht, maar op andere wijze verkregen. (Dit, zoo ook het medegedeelde op blz. 46—47 is eene onderstelling van den schrijver, die al of niet juist kan zijn.) Het karakter der oeloe taon; bezitrecht; onderscheiding der gronden (vg. ook Willer en Heyting).

De „Adat." Neum. VI, blz. 219—310 is eene afzonderlijke studie geheel aan de adat gewijd. Blz. 219—251 is een inleiding, en voorts eene bespreking van rechtspraak en recht in het algemeen. Die inleiding, blz. 219—223, geeft beschouwingen, die betwistbaar zijn; mij trof hier de uitspraak, dat ook volgens schrijver het stelsel van uitsluiting niet altijd van toepassing geweest is.

Rechtspraak. Blz. 224, de rechtspraak geschiedt volgens de „adat" en dus is willekeur (theoretisch!) buitengesloten; blz. 225 over de rapat; blz. 226 over minnelijke schikking; blz. 227, over het recht van appèl, blz. 228, gecombineerde rapats; blz. 229 het ontbreken van ambtenaren, die misdrijven enz. moeten opsporen; behandeling en uitspraak geschieden zoo spoedig mogelijk; blz. 231—234, ingevlochten het verhaal van Si Adji Oerang Mandoepa; blz. 235—236 recht tegenover vreemdelingen; blz. 236—237 over tanda's en het bewijs in strafzaken.

Blz. 238—241, over de waarde der getuige-

Sluiten