is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is niet te verwonderen, dat iemand, die tegenwoordig rondziet naar een speciaal onderwerp voor zijne historische studiën, zijn blik vestigt op een van de vraagstukken, die zich aan het ontstaan en de ontwikkeling der steden vastknoopen.

De literatuur, welke zich hierover in den laatsten tijd alleen al in Duitschland gevormd heeft, is reeds niet meer te overzien en nog steeds bewyzen de tallooze kleinere en grootere geschriften, die haar doen aangroeien, dat de stof nog verre van uitgeput is.

Wat evenwel bij onze oostelijke buren bijna een wetenschappelijk modeonderwerp geworden is, heeft hier nog maar weinige geschiedvorschers tot een onderzoek uitgelokt. Na den tyd, toen bijna elke stad van eenige beteekenis in een harer burgers een beschrijver vond, die de liefde voor zijne woonplaats in een soms onsamenhangende, vaak angstig uitvoerige, en bijna altijd rhetorisch gestelde stadshistorie lucht gaf, hebben weinigen het hier ondernomen deze boeken te vervangen door iets, dat beantwoordt aan de eischen, die heden ten dage aan dergelijke werken gesteld mogen worden, Sinds Prof. Blok zijne „Stad in de middeleeuwen" en zijne „Stad onder de Bourgondische Oostenrijksche heerschappij" uitgaf, is maar weinig verschenen, dat blijk geeft van vernieuwde en meer wetenschappelijke belangstelling in de Nederlandsche stedengeschiedenis. Algemeene werken daarover ontbreken nog geheel.

Ten deele laat zich dit zeker verklaren uit de schaarschte van materiaal voor dergelyke stifdiën; weinig is er nog op dit gebied uitgegeven en dat nog dikwijls op onoordeelkundige wijze. Vooral hinderlijk doet zich de leemte aan goede bronnen gevoelen bij een onderzoek naar de vroegere oeconomische toestanden. De stadsrekeningen van een paar steden leveren hoogst bruikbare stof, maar verder moet men zich met dikwijls verspreide oorkonden en keurboeken behelpen, waarvan de schryvers en de uitgevers niet gedacht hadden aan de vragen, welke de oeconomie daaraan zou stellen. Wellicht had eene doorvorsching der stedelijke archieven my dikwijls een antwoord kunnen brengen, waar de gedrukte bronnen mij in den steek lieten, doch tijdgebrek noopte mij tevreden te zyn met wat

f