is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

concentreeren zich handel en handwerk. Nauwkeurig afgebakend was het terrein van werkzaamheid voor de beide deelen der bevolking nog niet; in de stadsrechten der Hollandsche steden: Haarlem, Delft, e. a. wordt aan de burgers vrijheid gegeven om in Juli en Augustus veertig dagen de stad te verlaten voor het binnenhalen van den oogst en in den herfst even lang om het land weer in gereedheid te brengen voor het volgend jaar '); in Zutfen, Arnhem en Elburg hield het gerecht vacantie gedurende den bouwtijds). Omgekeerd hadden de steden nog dikwijls veel te klagen over de concurrentie van het platteland op het stuk van poortersnering en ambacht, en groote moeite heeft het hun gekost een „banmijlrecht" te verkrijgen of te handhaven over hun naasten omtrek. Maar toch, over het geheel genomen, kunnen wij ons de oeconomische inrichting voorstellen als eene zoodanige, waarin de voortbrenging in de stad eene deficit laat, dat door het surplus der productie van het omringende land aangevuld wordt en omgekeerd. Men kan zich het land verdeeld denken in tal van kleine, in eigen behoeften voorziende, onderling vrijwel onafhankelijke oeconomische complexen, elk gevormd door eene stad en hare omgeving.

De differentieering der geheele bevolking in twee groepen heeft voor beide belangrijke, voor die der steden de meest voordeelige gevolgen. Reeds vroeg beginnen dezen eene belangrijke politieke macht te worden. De haar weinig gunstige politiek der Holienstaufen 3) kon haren groei — ze waren nog maar in hare eerste ontwikkeling — zoo weinig belemmeren, dat de verbonden Rijnsteden voor de twistende vorsten van het Interregnum na den dood van Frederik II al eene zeer gezochte hulp waren. Tegen het einde der 13de eeuw begon de Hanse in het Noorden reeds een zeer voorname plaats in te nemen. Voor het rijk werden zij in dezelfde eeuw een niet te versmaden financiëele hulpbron; in Opper-Beieren leverden zij al van 1291 tot 1293 bijna 43 °/0 van alle landsheerlijke inkomsten 4). Dit alles valt in een tijd, toen de steden van het tegenwoordig Nederland op een enkele uitzondering na zich nog maar flauw afteekenden in de gelijkvormige massa der bevolking, maar

1) Yan den Bergh, Oorkondenboek van Holland en Zeeland, 1866—73, I, 412, 418. Vgl. ook Fruin, Eene Hollandsche stad in de Middeleeuwen, Verspreide Geschriften, 1, blz. 96 over den veeteelt der burgers.

2) P. A. N. S. van Meurs, Geschiedenis en Rechtsontwikkeling van Elburg, 1885, blz. 91 noot 5 en blz. 94.

3) Zie de edicten van Frederik II en zijn zoon Hendrik van 1218, 1226, 1231 en 1232 tegen het vormen van stadsraden en onderlinge verbonden; in dat van 1232 wordt ook verboden „cujuslibet artificii confraternitas seu sooietas." Pertz, Monumenta Germ. Legg. Tom. II, 229, 257, 278 en 285 ff. Ook afgedrukt E. Th. Gaupp, Deutsche Stadtrechte des Mittelalters, 1851, I, S. 24—34.

4) K. Th. von Inama-Sternegg, Deutsche Wirtschaftsgeschichte in den letzten Jahrhunderten des Mittelalters, 1899., I, S. 113 en Beil. IV.