Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toenemende behoeften der onderdanen een grontere productie. En hierin kan slechts de samenwerking van grootere deelen der natie voorzien.

Conflicten van den landsheer en de steden zijn nu onvermijdelijk. De laatsten waren juist bezig hunne afsluiting naar buiten volkomener te maken en hunne autonomie voor inwendige aangelegenheden, hunne souvereiniteit over den omtrek te bevestigen. De stadslieeren, die hen in dit streven eerst gesteund hadden door voorrechten in die richting en die later hadden moeten toelaten, dat ze met de in hunne sfeer niet passende aanspraken van adel en geestelijkheid ook zijne macht daar steeds meer weerden — deze hebben nu den strijd aangebonden. Was vroeger de vorst de voorvechter gew eest van een verouderd principe, van de feodale inrichting, wien de nieuwe oeconomische toestanden en de nieuwe begrippen antipathiek waren, nu was hij de strijder voor een jong beginsel. En de staat heeft het gewonnen van de stad, behalve in de Nederlandsche gewesten. Het Bourgondisch-Oostenrijksche huis heeft vooral door zijn trachten naar eene domineerende plaats over de wereld en de Christenheid zijn macht te zeer verzwakt, 0111 in de Nederlanden te volbrengen, wat aan de kleine Duitsche landsvorsten in hun temtoriën zonder uitzondering gelukt is.

Dit laatste proces valt evenwel buiten het bestek van de volgende beschouwingen. Hierin wordt slechts gesproken over de stad, terwijl zij bezig is (voor zoover noodig) door haar onroerend bezit, door haar rechten op den bodem, zich die vrijheid van vreemde invloeden te verschaffen, welke haar eene oeconomische onafhankelijkheid verzekerde.

Dat in dezen niet altijd zaken en rechten uiteengehouden konden worden, zal ieder begrijpen, die weet, hoe dikwijls in de ME. verhoudingen tot verkeersobjecten werden, hoe bijv. zoowel de gruit als het gruithuis, de lakenaccijns als de lakenhal, zoowel de molen als het recht van den wind, zoowel de gerechtsplaats als het gerecht geschonken, verkocht, verpand, of in leen gegeven konden worden ').

Ten slotte zij nog gewezen op het ontbreken van de steden in Friesland. Hier heeft de differentieering van de bevolking in stad en platteland zich eerst veel later2) en in veel minder scherpe vormen dan elders, vertoond. In de staten vormen ze vóór den opstand geen apart lid, dus tot een politiek erkenden stand hadden ze 't niet weten te brengen. Nog in 1579 verklaren de „volmachten

1) Hierover ook Bücher, 1.1., S. 153.

2) De stadsreohten dateeren eerst uit de I Tv eeuw. Bovendien dragen ze sterke sporen van onder Hollandschen invloed ontstaan te zijn : A. Telting, Het OudFriesehe Stadrecht, 1862, blz. 116. Daarentegen pleit Ph. Heek (Die altfriesische Gerichtsverlassung, 1804, S. 378 ff.,) voor een ontstaan uit het gewone landrecht, maar niet op overtuigende wijze.

Sluiten