Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of husinghe" ')• De schulte van den bisschop te Kampen moet zijn geboren burger „ende glieervet wezen binnen Campen te 100 schilden toe" !).

Voor wij nu evenwel verder gaan met de beschouwing van den stadsbodem dient nog verklaard te worden, dat de beperking „binnen de stadsgrachten" niet iets willekeurigs is. Natuurlijk kan, waar hier slechts over den grond en niet over het water gesproken wordt, ook de stadsmuur als grens genomen worden. Het rechtsspreekwoord, dat slechts de muur den burger van den boer scheidt, kan dus al dienen tot bewijs, dat het speciaal stedelijke terrein door de gracht bepaald wordt. Toch gold het stadsrecht vaak over een veel grooter uitgestrektheid, de „vrijheid we zullen het later zien — liep soms rondom de stadsvesten nog door tot op een

belangrijken afstand.

Het beginsel, dat deze echter de natuurlijke grens der stad vormen, werd reeds in 1156 in Keulen uitgesproken, toen de stad de inwoners van de aangrenzende villa St. Pantaleon vrij verklaaide van de „communis civium collecta", maar met de restrictie: „si quandoque vallo et muro civibus coadunentur, communi etiam iure teneantur" 3). In onze steden gold dezelfde regel en zoo deze zelf al in den lateren tijd dikwijls neiging hadden daaraan ontrouw te worden, de landsheer trachtte de geldigheid ervan te handhaven. De vernieuwing der stedelijke rechten voor Montfoort (in het Overkwartier) en voor Wageningen in 1312 heeft plaats voor de burgers, „commorantibus intra fossatos, qui nunc sunt"4). De vrijheid van Leerdam zal zich volgens de afspraak tusschen den bisschop van Utrecht en burgemeesters, schepenen en raden dezer stad in 1405 niet verder uitstrekken dan het gebied, dat „dieselve stede binnen haere vesten begrepen hevet", tenzij deze bewijzen kan met „goeden besegelden brieven , dat ze een grooter vrijheid heeft gehad '•). Als Jan van Brabant in 1425 aan degenen, die op hoogstens veertien roeden afstands van de Delftsche vaart wonen, het recht verleent om zich onder de Delftsche burgers te laten opnemen, maakt hij inbreuk op het principe, maar erkent het tevens

1) Stadboek van Groningen, ed. A. Telling, 1886 (Oude \ad. Rechtsbr. I •')»

blz. 86 (voor of in 1425).

2) Boek van Rechten der stad Kampen, (Overijs. St. M. en Dijkregten I ),

1875, blz. 82.

De voorrechten der „viri hereditarii," de „ervnchteghe lieden" in Gent, die ook betroffen het recht van getuigen en van benoembaarheid tot het schepenambt, bij G. de Marez, Etude sur la propriété dans les villes du moyon-age et specialement en Flandre, 1898, p. 152 suiv.

3) Lacomblet, Urkundenbuch f. d. Gesohicbte des Niederrheins, 1840—58, 1, 380. Ook G. v. Below, Zur Entstehung der deutschen Stadtverfassung, Hist. Zs. 59, S. 200.

4) Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de gesch. van Gelderland, 1830 vlgg., I, blz. 139 en 141 (1312).

5) Van Mieris IV, blz. 27.

Sluiten