Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door te zeggen, dat ze zullen hebben de vrijheden, rechten en privileges der Delftsche poorters, „die binnen der steede vesten woonachtich sijn" '). Zwakke vorsten konden de steden niet altijd dwingen, hare vrijheid bij de grachten te doen eindigen. Jan I moet de „gemiene liede", welke bij den buitenkant van den muur en de gracht van Haarlem wonen, toelaten „in horen poertrechte ende in horen coere van der poerte te wesene ende te blivene," doch het privilege wordt gegeven, ,,t' onsen wederroepen" 2). Geheel anders Willem V. Als hij in 1355 de grafelijke macht weer kan verheffen uit het verval, waarin de twisten van de vorige jaren ze gebracht hadden, geeft hij aan Haarlem, Leiden, Naarden, Schiedam en Weesp 3) brieven, waarin eene bepaling voorkomt, welke er op het eerste gezicht als een privilege uitziet. Zij krijgen namelijk „alsodanighe vryheden, als sy nu ter tijt begraven endebevest hebben." Wekt de nadrukkelijke verklaring in deze stukken „zy zullen geene vryhedehebben buten die vuyterste cante van h o i r e g r a f t e n," reeds eenige bedenking omtrent de goedgeefschheid van den graaf in dezen, een geheel ander voorkomen krijgt zijne daad, wanneer we dit charter voor Leiden vergelijken met een ander, vroeger door zijne moeder Margaretha aan die stad verleend. Hierin staat, dat hare vrijheid zal mogen zijn „op elcke syde van den vryheyden, die sy nu hebben, twee hondert roeden breder al omme gaende, daer sy nu is"4). Hoe ver loopt nu de vrijheid van v Leiden na 1355, m. a. w. welk nieuw stuk bevindt zich daarna binnen de stadsvesten? Slechts eene strook, die op zijn breedste deel maar ruim honderd roeden breed is en zich ook niet naar alle zijden, maar slechts naar den Noord- en Noord-Oostkant uitstrekt5). Willem V gaf dus vrij wat minder dan zijne moeder. Al die privileges van 1355 bevatten de gedeeltelijke erkenning van usurpaties, door de steden gepleegd gedurende den voorafgaanden burgeroorlog. Of alle steden den uitleg van hun gebied hadden weten te dekken door een voorrechtsbrief, zooals Leiden er waarschijnlijk zonder veel moeite heeft weten te verwerven van een der pretendenten naar de grafelijke macht, dat is ons onbekend. Groot belang voor de geschiedenis van den volgenden tijd heeft deze vraag ook niet, nu wij zien, dat de graaf, zoodra hij zich sterk

1) Ib., blz. 762.

2) Van den Bergb, II, 991.

3) Van Mieris, II, bl. 839, 838, 847, 841, 849. Naarden krijgt er aan ééne zijde dertig roeden bij.

4) Yan Mieris, II, blz. 741.

5) De grenzen der nieuwe vrijheid bij Blok, Een Hollandscbe stad in de M.E., 1882, blz. 61 vlg.

Volgens de kaarten van bet eind der ÏO* eeuw, gefacsimileerd bij A. M. Pleijte, Leiden voor 300 jaar, is de grootste breedte van het nieuw uangeheehte stuk nog geen 120 roeden.

Sluiten