is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hetzij ze geheel nieuw gesticht werd, hetzij een oude villa tot stad verheven werd, steeds bestond het grootste aantal der burgers uit nieuw aangekomenen, die zich op vreemden grond moesten neerzetten. Een groot perceel had geen van hen noodig; de „mercatores", die de stadsbewoners vormden'), waren niet alleen kooplieden, maar ook handwerkslieden. Ze behoefden alleen een klein plekje gronds voor eene bescheidene woning.

Had de heer van de stad den bodem in eigendom, dan gaf hij dien aan de nieuwe burgers tegen een geringen tijns voor hunne huizen, en bezat hij dien niet, herhaaldelijk zien wij hem dan den grond door koop onttrekken aan de handen dergenen, die de nieuwe stichting minder genegen waren dan hij.

Het veelgeciteerde stadrecht van Freiburg i. Br. geeft hiervan een duidelijk voorbeeld. De hertog van Zahringen zegt daar: „unicuique mercatori haream in constituto foro domos in proprium jus aedificandas distribui. Atque de unaquaque harea solidum publice monetae mihi et posteris meis pro censu annuatim in feste beati Martini persolvendo disposui" a). De markt als kern van de stad 3), die aan den heer behoort, en waaromheen de bouwgrond doorhem in cijns gegeven is, vinden wij ook in Delft4). Muiden 5) en Gouda 6). De census arearum, Wortzins in Noord-Duitschland, hofstedegeld 7) in de Hollandsche steden genoemd, welke in bijna alle steden later

1) S. Rietseliel. Markt und Stadt in ihrem rechtlichen Verhaltnis, 1897. Do algomeene naam dier nieuwaangekomenen was mercatores.

2) Gaupp. 1.1., II, S. 19. Stadsrecht van 1120.

Zelden werd de bodem zonder eenigen tijns geschonken zooals, bv. Berthold van Zahringen voor Mürten deed: contulit enim casalia libere et absolute sine censu et aliqua exactione. Ib., II, S. 152. Zie verder voor de Duitsche steden (}. L. Maurer, Geschichte der Stadteverfassung, 1869, S. 397. Hier wordt evenwel ten onrechte ook aan oude hoorigheidslasten gedacht, waar slechts sprake is van een tijns voor afgestaan bouwterrein.

3) Voor de Vlaamsche steden vgl. Des Marez. pag. 12 suivv.

4) In 1436 krijgt de stad het marktveld van den graaf: Van Mieris, IV, blz. 1082. Omtrent de bouwterreinen daaromheen: Hamaker, Rekeningen der Grafelijkh. v. Holl. (Werken van Hist. Gen. N. S. 21, 24, 26), 1875—78, I, blz. 35: hofstede hure binnen Delf opt marctvelt (1316); blz. 99: ant marctvelt (1316); blz. 185: omtrens tmarctvelt (1334); II, 'blz. 22: omtrend marctvelt (1343—'44). Hier lagen ook de wanthuizen en het Lombardenhuis.

5) „Te Muden van den marketlande Gerbrand Bisschop.... 2 tt\ Grafelijke ontvangsten 1306. Hamaker 1.1. I, blz. 5. Of de „hofsteden'' eromheen lagen, weet ik niet zeker.

6) Onder de domeinen van do heeren van Gouda genoemd : het marktveld (1378), bij Do Lange v. Wijugaerden, Gesch. der Heeren en Beschr der stad van der Goude, 1813—1817, I, blz. 612. Door de stad in erfpacht genomen 1395: Van Mieris, III, blz. 631. Over de „hofsteden" zal later gesproken worden.

7) „Sidilia (var. sedilia), que ofstedi (var. hofstedi) vocantur", reeds in Register van goederen van St. Maartenskerk te Utrecht van de 2- helft der 9^-eeuw bij S. Muilor Hz., Het oudste Cartulariuiu van het Sticht (Werken v. Ilist. Gen. 3r' S. n°. 3, 189*), blz. 44.