Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd daardoor evenwel niet als bouwterrein aan de stad onttrokken. De leenman Gerard Alewijnszoon mocht ze nl. weer onderverhuren volgens een brief van Willem V in 1352 '). Zoo kon deze doen wat elders door den graaf geschiedde; reeds in 1344 was er eene hofstede, die hij van het stuk grond, dat hem daar in eigendom behoorde, afgescheiden en voor twee groote tournoysen 'sjaars uitgegeven had 2).

Vrij goed zijn wij ingelicht omtrent den omvang van de stadsheerlijke areae in Gouda. Daar zijn omstreeks 1400 880 hofsteden, die „cijns" betalen 3).

Opvallend, maar niet onverklaarbaar is het feit, dat de grafelijke rekeningen geen melding maken van grafelijken grondeigendom in

1) Van Mieris, II, blz. 816.

2) lb. II, blz. 687.

3) Dit interessante register komt voor bij de Lange v. Wijngaerden II. blz. 60. Het is blijkbaar overgedrukt uit de Beschrijving der stad Gouda door I(gnatius W.(alvis) I, blz. 30, en niet zonder fouten; eenige sommetjes verschillen van die bij Walvis en een geheele post is uitgevallen. Walvis brengt dit register tot 1382. De Lange v. Wijngaarden stelt het minstens 50 jaren later, op grond van den naam Zeugestrate, welke volgens hem in 1382 nog niet gebruikelijk was. In allen gevalle dateert het van later dan 1390, want er komen hofsteden in voor, den heer „aengecomen Anno 90.' En deze zijn er niet later bijgevoegd, want in de totaalsom zijn zij meegeteld. De pacht van het marktveld daarentegen, in 1395 aan de stad in erfpacht gegeven voor 15/3 jaarlijks, komt er niet in voor. Ik zou het daarom tusschen 1390 en 1395 willen plaatsen. Men zou kunnen denken, dat het ook kon zijn uit een tijd, dat er eijnsen, waaronder die van het marktveld, vervreemd waren. Het register zelf bewijst al, dat er reeds vrij wat hofstedegelden aan andere bezitters gekomen waren. De hofsteden van den z.g. Molenwerf; in 1379 opbrengende 108 tf 14 f3 9 5. (De Lange van Wijngaerden II, blz. 56 noot C.). bedragen hierin nog maar 31 tl' 7(311 S. In allen gevalle moet het register toch geplaatst worden vóór 1400. In dat jaar sohenkt Albrecht nl. aan Dirk van Wassenaar 150 ti' hofstedegelden jaarlijks in eigendom. (De Lange van Wijngaerden II, 38). De totaalsom van hofstedegelden bedraagt voor 886 perceelen 166 tï 7(3 4 J. Waren hier die 150i£ al afgetrokken, dan zou de heer van Gouda dus daarvoor waarschijnlijk van ongeveer 1600 perceelen cijns geïnd hebben. En ik kan niet gelooven, dat de stad al zooveel huizen telde, als ik zie, dat het aantal daarvan in 1490 en 1492 nog geen 1700 bedroeg (Informaoie 383 blz. vlg.) Of dit register de oorspronkelijke indeeling van den stadsbodem weergeeft, is niet zeker, het is opgesteld na den grooteu brand van 1361, maar den omvang van het heerlijk bezit geeft het wel weer. De Lange van Wijngaerden beweert wel (1.1. blz. 58), dat de hofstedegelden onder de heeren van Blois „nog niet algemeen" waren, maar de rekening van 1378, welke hij ten bewijze daarvan citeert (1.1. blz. 60), bewijst niets. De opbrengst is daarin wel veel geringer, maar er staat o. a. van het wanthuis en vleeschhuis vermeld, dat er „sedert dat die stad barnde", nog niet van betaald is. Dit zal voor vele andere huizen ook wel gegolden hebben. Bovendien, hij zelf erkent brieven te kennen van hofstedegelden, reeds in het begin der 14'* eeuw verkocht door den heer, en waar zouden de burgers vroeger anders gewoond hebben dan op heerlijken bodem ? Of heeft deze dien eerst op het eind der 14'' eeuw verworven? Dat deze tjjnsen waren een soort van erfpacht voor bouwterrein, neemt hij overigens ook aan.

Sluiten