Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

roede daarboven 12penn.= l(S en één hoen, Gouda heeft nog lang in zijn plattegrond het bewijs bewaard, dat de heer daar indertijd den grond in kleine, gelijke bouwperceelen verdeeld had ').

Na hetgeen omtrent Holland en Zeeland opgemerkt is, kunnen wij betreffende hetgeen wij in de andere gewesten waarnemen, kortheid betrachten, waartoe ons trouwens de bronnen veelal verplichten.

Dat, wat het Sticht betreft, de gegevens zoo schaarsch zijn, ligt niet hieraan, dat de bronnen hier minder talrijk zijn, dan in Holland en Zeeland, ook niet daaraan, dat ze uit een lateren tijd dagteekenen, maar ze zijn relatief jonger. Als de steden in Holl. nog maar nauwelijks van zich laten merken, hebben plaatsen als Utrecht en Deventer reeds een vrij lange ontwikkelingsperiode achter zich. Daarbij komt, dat het voortdurende geldgebrek der bisschoppen dezen vroeg tot vervreemdingen op groote schaal gebracht heeft. Dit maakt, dat hier de bescheiden nog maar veel geringer overblijfselen van het vroegere landsheerlijke bezit vermelden dan in Holland.

In Utrecht is mij niets bekend van hofstedegelden, die betaald werden van erven, door burgers bewoond. Dat ze er geheven zijn, kan ik alleen vermoeden op grond van hetgeen uit andere bisschoppelijke steden in Duitschland, als Keulen, Lübeck, Spiers enz., bekend is. In den tijd, waarvan de bronnen met eenige duidelijkheid spreken, is er eene strenge afzondering tusschen den stadsgrond en de geestelijke emuniteiten. Plaatselijk alleen vormden deze laatsten een deel van de stad, juridisch (en tot op zekere hoogte oeconomisch ook) lagen zij er buiten. Op wiens grond hebben zich de burgers 1111 gevestigd, die zich naast de burcht Trajectum *) neergezet hebben? In 722 had de Utrechtsche kerk „omnem rem fisci ditionibus quicquid in ipso Trajecto castra tam infra muros quam a foris" van Karei Martel ') gekregen, volgens het barbaarsch Latijn der oorkonde. In een register van de goederen dier kerk uit de 2de helft der !)de eeuw staan evenwel geene bezittingen aldaar vermeld 4). Stedelijke erven ontbreken ook zoo goed als geheel in

1) Do Lange van Wijng., II, blz. 11, die hierbij ten onrechte denkt, dat het met het oog op fabrieksnijverheid geschied was. Hij zegt: „Ook is nog opmerkelijk, hoe dat de stad gebouwd en aangelegd is voor fabrijken en de erven der huizen daarvoor als afgemeten." Hij denkt hier, blijkens blz. 49, waarschijnlijk aan woningen voor fabrieksarbeiders.

2) De stad ontstaat naast en afgescheiden van de burchtstad *. I1. J. de Geer van Oudegein, Het oude Treoht, blz. 140 vlg.

3) S. Muller Fz., Het oudste Cartularium (Werken van het Hist. Gen. 111, 3, 1892), blz. 3.

4) Ib., blz. 38 vlgg. De goederen van den bisschop en van de kapittels van bt. Maarten en St. Salvator waren nog niet gescheiden: B. J. L. de Geer van Jutfaas, in, Bijdragen voor Vad. Gesch., 111, 9, blz. 54, 67 vlg.

Sluiten