Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevoeld. Het was namelijk alleen het bedrag, dat drukken kon, in zeer weinig gevallen de aard der tijnsen.

En het bedrag is in den loop der tijden niet omhoog gegaan met de stijgende grondrente, integendeel, het is dikwijls gedaald niet de waarde der munten, waarin het uitgedrukt stond.

De uitgifte der erven geschiedde tegen erftijns, „in eenen eeuwelicken erfpacht om sulcke huvre, als zy 1111 verhuyren (ls. verhuyrt) sijn" '). E11 de neiging 0111 zich in het algemeen te houden aan nominale pachtsommen bij erfpacht blijkt o. a. in Utrecht, waar in 14<SO door den raad eene bepaling werd gemaakt over de waarde van een lood zilver ten opzichte van het geld, waarmee de stadserven betaald werden*). De bijvoeging: „waer yemant, die meynde hyrmede belast te wesen, die mach die erven laten lecgen over pacht totter stadt behoeff" bewijst, dat menigeen daardoor op aanmerkelijk hooger pacht gesteld zou wrorden. In Deventer maakte in 137*2 het dalen der geldswaarde noodig, dat alle vaste tijnsen en huren met een vierde werden opgeslagen, feitelijk zouden ze daardoor op hunne oorspronkelijke hoogte blijven. De rekeningen bewijzen, dat de maatregel niet doorgevoerd is kunnen worden; in 1373 en volgende jaren vinden wij de pachtsommetjes van voor '72 weer onveranderd terug.

Deze vasthoudendheid maakte den druk der heerlijke tijnsen ook steeds onbeduidender. En deze waren al laag'); de rekeningen der Hollandsche graven toonden dit reeds. Eene schelling per roede (d. i. een reep gronds ter breedte van een roede) is veelal het uniforme tarief; in Geertruidenberg, waar de prijs vroeger vastgesteld is, 6 den. per mansus. Dit komt overeen met wat wij aantreffen in de Duitsche steden. In een tijnsregister van het Domkapittel te Lübeek staan 145 „areae censuales" opgeteekend en deze brengen jaarlijks op: 5 Mark 5 4 <J4). De St. Michaëlskerk in Hildesheim bezit den „ worttijns" van 182 „worten", totaal bedrag jaarlijks 15 U'5). I11 de daaraan grenzende „Dammstadt" was de jaartijns per area2den. B).

De erfelijkheid der hofsteden is in het voorgaande herhaaldelijk gebleken 7), al werd deze dan ook soms eenigszins bezwaard door de

1) Van Mieris, II, blz. 72l2. (Schiedam, 1346).

2) K. Bui man, Utrechtsche Jaarboeken III, blz. 438 vlg.

3) Rietschei, Markt u. Stadt, S. 135 f.

4) Urkundenbuoh der Stadt Lübeok, 1843 ff., II, S. 290—298, (1307 of 1308).

5) Urkundenbuoh der Stadt Hildesheim, VII, S. 556, (1472).

6) Urkundenbuoh der Stadt Hildesheim, IV, 204 ff. Ze waren 12 bij 6 roeden. Vgl. Stadsrecht door den stichter Luppoldus, advocatus van het Moritzstift, aan de Dammstadt gegeven : „Areae, quas divisi in ea, manebunt in eodem censu, quein constitui, nee ille exaltabitur (1 b., I, S. 62 f.).

7) Alleen verdient te dezen opzichte nog de aandacht een opmerking, gemaakt door Prof. Kruin (Verspr. Geschr. VIII, blz. 45) naar aanleiding van de ljjst van goederen der abdij Kchternnch op Walcheren, dat liet eenige daar vermelde grond-

Sluiten