is toegevoegd aan uw favorieten.

Stadsbezit in grond en water gedurende de middeleeuwen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ideëel recht verschrompelde eigendom als de tot een onbeduidende jaartijns versteende pacht konden den invloed van den heer merkbaar doen worden op het woningvraagstuk, op de vrijheid der ingezetenen of op eenig ander publiek belang der steden. Feitelijk waren de bezitters der erven eigenaars geworden.

Ongaarne zullen de steden gezien hebben, dat de heer later grondeigenaar in de steden werd. I)e verhoudingen waren dan veelal gewijzigd en een vorst had allicht meer lust om ze klein te houden, dan om ze groot te maken zooals in den beginne. In elk geval kreeg hij daardoor aanspraken, die nog niet ontaard waren in een onschadelijk tijnsrecht, en hoe gemakkelijk kon hij die op eene bedenkelijke wijze uitbreiden. Hiermede lijkt in strijd, dat Frederik van Blankenheim, toen hij in 1411 een bisschoppelijk huis wilde bouwen in Zwolle, daarvoor de medewerking ondervond van de stad zelve. Een terrein namelijk, dat vroeger als leen aan een ridder had behoord, was na diens dood aan hem vervallen, en de stad bevrijdde het nu van eene som van 300 Fransche schilden, welke daarop vroeger opgenomen waren. Voor die vriendelijkheid bedong evenwel het stadsbestuur de toezegging van den bisschop, dat hij niet de straat of de stadsmuur zou betimmeren, tevens dat hij niet meer erven in de stad aankoopen en het huis niet vervreemden zou. Daarbij kwam de belofte, dat noch de goederen der stad, noch die van de burgers of van hunne meiers ter wille van dit huis later zouden moeten „enigen Hoffdienst te meer doen" '). Verder hooren wij weinig van aankoop van stadsgrond door den | vorst en van maatregelen, door de steden daartegen genomen, om de zeer natuurlijke reden, dat deze laatsten daarvoor wel grootendeels zelf het benoodigde geld hadden moeten verschaffen en liet voor een dergelijk doel niet licht gegeven zouden hebben.

Veel krachtiger hebben de steden zich verweerd tegen het geestelijk bezit, tegen de doode hand. De strijd daarover werd in de middeleeuwsche steden met te meer felheid gestreden, omdat meer voorrechten en minder lasten op de kerk en hare eigendommen rustten. Hierbij kwam, dat de algeineene rijkdom nog betrekkelijk gering was; hij was gelijkmatiger verdeeld, maar gemiddeld klein; het gezamenlijk vermogen der burgerij mocht niet veel verminderd worden, wilde de stad zich kunnen handhaven.

ende rechte als ander weerlio Erve gelegen in on3er Stat van Zwolle nu staed." (Versl. en Meded. v. Over. Hecht en Gesch., XI, blz. 71). Hier werd dus door koop de nieuw verworven vrijheid gemaakt tot „fundus liber".

1) B. J. v. Hattuui, Beschrijving der stad Zwolle, 1707 —1775, II, blz. '28'2 vlgg.