Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

emuniteit weten te beperken tot den Eisterhof, waarop de proost woonde, en de verdere kapittelhuizen'). Het stedelijk gerecht reikte hierbinnen niet, maar hier wist in 1442 de raad den Eisterhof, na hem een tijdlang in huur bezeten te hebben, te koopen a).

Gemakkelijker viel het de rechtsbevoegdheid van andere kloosters op te ruimen. De meesten hadden die nooit bezeten, maar een enkele. Zoo beweerde de abdis van Rijnsburg aanspraak te mogen maken om „te berechten ende te bedrijven" de Geer binnen Delft. In 1351 ontzegt Willem V haar dat recht en draagt het op aan zijn schout in Delft '). Toch schijnt het niet zoo gemakkelijk gegaan te zijn; bij de bepaling der vrijheid in 1394 wordt gezegd, dat de grens zal loopen „tot den buytenwech uytgeseydt die Abdissen ende des cloesters recht van Reynsburcli" 4). Eerst in 1466 komt de stad in bezit van het hooge rechtsgebied van de Geer ; het lagere zal zij dus al wel gehad hebben, maar geheel homogeen met het overige stadsgebied schijnt de Geer ten opzichte van de rechtspraak vroeger nog niet geweest te zijn.

In Doetinchem onttrekt men al in 1231 den stadsgrond aan de rechtsmacht van den proost van het klooster Betlehem aldaar. Het had er, grootendeels door schenking, een aanzienlijk bezit gekregen: S6'/2 areae, 3 predia, 3 agri, 8 prata, 1 campus, 4 horti. Steeds was die aanwas evenwel onder toezicht der stedelijke autoriteiten gebleven: de gegeven en gekochte stukken gronds waren „coram scabinis et iudicibus in Duttinchem" aan Betlehem opgedragen 6). Had deze geheel buiten het gerecht van de stad gestaan, dan zou het er met de vrijheid liarer beweging slecht uitgezien hebben en de stad, welker burgers het klooster bovendien nog begiftigd hadden met groote stukken van de mark 7), ware het slachtoffer geworden van de mildheid harer inwoners. De proost zal het wel het veiligst gevonden hebben, zich te beperken in zijne aanspraken en „iudicium, quod de suis areis habuit ecclesia infra predicta fossata (de buitenste stadsgrachten), prepositus omnino civibus resignavit *).

Maar meer dan de exemptie van het stadsgerecht, dat, behalve waar bepaalde emuniteiten waren, zeker zeer zelden tot groote misstanden gevoerd heeft, was het de vrijheid van de stedelijke belastingen, die het geestelijk grondbezit een ongewenscht verschijnsel deed worden. Voor dat bezit, hetwelk door den overgang in geestelijke

1) Dumbar, Deventer I, blz;. 340.

2) Ib. II, blz. 135.

3) Van Bleyswijck, Beschrijving der stad Delft, 1667, I, 64.

4) Van Mieris, III, blz. 610.

5) Limburg Brouwer, Boergoensche Charters, n". 135.

6) Sloet, I, blz. 511.

7) 1b., blz. 395, 523, 547.

8) 1b. II, blz. 540.

3

Sluiten