Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot eene geregelde jaarlijksche opbrengst van zijne vaste goederen in de stad ').

Hoe hier nu mee te rijmen een geval, dat zich in Utrecht voordoet in 1468, waar de kapittels accijnsvrijheid verkrijgen voor 2000 vaten dik of 3000 vaten dun bier, voor een voeder wijn voor elk kapittel jaarlijks, benevens vrijheid van de kleine accijnsen, voor zooverre ze waren betreffen, die door de kanunniken en hunne dienaren zelf gebruikt worden? Wel, deze concessie wordt den kapittels slechts toegestaan, opdat ze hunne brouwerijen zouden opgeven 2). Dit was namelijk een nog grootere grieve dan de accijnsvrijheid; de stad koos hier van twee kwaden het minste. Daarmee werd voorkomen, dat eene vrijstelling van lasten eene directe benadeeliug werd, dat de accijnsvrijheid werd gebruikt tot eene deloyale concurrentie tegenover andere verkoopers. In het bovengenoemde verdrag van den abt van Aduard met Groningen beloofde deze eerste ook, dat hij geene herberg zou houden in zijn huis op den Holm. De kwestie reikt reeds in de vroegste tijden terug; in 1233 werd aan de abdij te Middelburg reeds verboden wijn te verkoopen aan ieder, die buiten het klooster woonde, behalve aan de kanunniken en de leekebroeders 3), en dezen laatsten werd ook het recht ontzegd om wijn te koopen met het doel dien aan anderen te slijten. Toch werd in 135o dit verbod hernieuwd, een bewijs, dat men het kwaad niet den kop had ingedrukt4). Reeds in 1256 was in een twist tusschen de kapittels in Utrecht door den bisschop uitgemaakt, dat de kerken slechts niet belast zouden worden voor den wijn, dien zij kochten en zelf dronken „absque usu tabernae" 5). Met deze gegevens is het ook niet moeilijk den post uit de Deventer Cameraarsrekeningen te verstaan, waarin gesproken wordt van schepenen, die zijn „tot des Priors hues gheweest ende vorsaghen van sinen wijntappen" 6). Dit zijn lang niet alle voorbeelden, maar genoeg ter illustratie.

Behalve over den wijnverkoop hadden de burgers te klagen over arbeid van geestelijken, vooral van leekebroeders en kloosterlingen.

1) Groninger Oorkondenboek, I, 385.

2) Burman, Jaarboeken, II, blz. 516. Den begijnen, die men beter in het oog kon houden, was nog in 1444 voor eene som van 500 Hf jaarl. het recht van eigen brouwerij gegeven: Rechtsbr. v. Utrecht, I, blz. 350.

3) V. d. Bergh, I, blz. 343. Dat dergelijke wereldsche bedrijven geestelijken niets vreemd waren, bewijst het Dordtsche Keurboek van 1401 : „papen ende clerken, die daghelijcx comenschap doen ende taverne houden", zullen gelijk behandeld worden als andere kooplieden en herbergiers: Oudste Rechten der St. Dordr., ed. J. A. Fruin (O. Vad. Rechtsbr. IV), blz. 61, art. 182.

4) Yan Mieris, II, blz. 855.

5) Heda, ed. Iïuchelius, p. 216 seq. In 1296 al weer klachten daarover van de burgers tegenover het Domkapittel: Brom, Bullarium Trajectense, 1891,1, n". 426.

6) Cameraarsrekeningen van Deventer, uitgeg. door van Dooruinok, de Hullu en Acquoy, III', blz. 275 (1363).

Sluiten